STRANDRACE EGMOND-PIER-EGMOND – In het spoor van de grote mannen

Door: Gerard Murre

STRANDRACE EGMOND-PIER-EGMOND

In het spoor van de grote mannen

Wie heeft zich afgelopen zaterdag kunnen meten met de beste renners van ons land? Jawel, bovengetekende. Nu is “meten” een groot woord want waar je een meetlint nodig hebt voor de grote mannen, kun je bij mij volstaan met een liniaaltje. Maar het gebeurt je niet elke dag dat je vertrekt samen met mannen als Johnny Hoogerland, Sebastiaan Langeveld en Laurens ten Dam. We hadden zelfs een Olympisch kampioen in ons midden: Bart Brentjes.

De mensen komen tegenwoordig alleen nog voor het zien van BN-ers hun bed uit en bij het fietsen is dat kennelijk niet anders. Waar de andere strandraces nog geen duizend deelnemers trekken, heeft Egmond er maar liefst 3500. Waaronder dus een paar bekende gezichten. En in geval van Johnny Hoogerland; bekende billen. Mogelijk is de grote belangstelling omgekeerd evenredig met de afstand want met een schamele 37 km is deze race eigenlijk meer iets voor watjes. Ik had me die ochtend in de wondere wereld der watjes gemengd. Als een pluisje in een heel katoenveld. Toch ook wel weer een apart pluisje want toen ik ’s ochtends vroeg over het strand richting Egmond reed, trok ik het eerste spoor over het maagdelijke zand. Ik vermoed dat ik één van de weinigen was die de auto niet gepakt hebben voor de, in mijn geval dertig kilometer naar de start van de tocht.

Ik geef toe dat ook ik last had van knikkende knieën toen ik ’s ochtends de gordijnen open schoof. Het goot van de lucht of het een lieve lust was. Maar na het ontbijt leek het wat op te klaren. Natuurlijk een lokkertje van de weergoden om me naar buiten te krijgen, want ik was de straat nog niet uit of het begon al weer te plenzen. Zo reed ik door het donker als een natte vaatdoek op wielen naar de pont van IJmuiden. In de abri stonden al een paar mensen te wachten dus ik zocht mijn beschutte heil onder het afdak van een snackbar iets verderop. Na een rillerig kwartiertje waarin de plas rond mijn voeten steeds groter werd, arriveerde de pont. Ik er heen maar de klep en de slagbomen bleven dicht en er was niemand aan boord te bekennen. Ik weer terug naar mijn schuilplaats. Op een gegeven moment zie ik dat de bomen open gaan en de vier wachtenden aan boord gaan. Ik stap op mijn fiets en freewheel rustig naar de boot. Op twintig meter afstand gaat een bel rinkelen en gaan de bomen met een slag naar beneden. Ik zet aan en kruip onder de bomen door maar de matroos zal ik hem maar noemen, is al bezig om de klep op te trekken. Dat zal me toch niet gebeuren! In wat in de zachte sector met een rotwoord een elevator pitch wordt genoemd, gooi ik er binnen een paar seconden alle redenen uit die ik zo snel kan bedenken om de trossen niet los te gooien. Gelukkig het werkt. De klep gaat omlaag en ik glibber over het natte staal aan boord.

Het zat tegen met de pont en ik moet nu vaart maken om op tijd te komen. De regen wordt gelukkig minder en ik rij in een boog om de Hoogovens heen om bij Wijk aan Zee het strand op te gaan. Ik laat mijn banden op wegspanning staan. Het heeft gisteren nog gestormd en dat betekent hard zand is mijn ervaring. Het zand is inderdaad van beste kwaliteit. Hard, vlak, en met haast geen plassen. Zo peddel ik over een totaal verlaten strand waar zelfs mensen met hond zich nog niet vertonen op dit vroege, verregende uur. De door het KNMI in De Bilt beloofde zuidwesten wind blijkt in de praktijk uit het noordwesten te waaien en hij is nog hard ook zodat ik geen tempo kan maken als ik me ook nog een beetje moet sparen voor straks. Maar zelfs de sterkste hand kan de wijzers van de klok niet tegenhouden en ik zie dat het kantje boord wordt om de start op tijd te halen. Dit ontaard op het laatst in mijn eerste strandtijdrit met als tegenstander de schijnbaar steeds sneller draaiende wijzer van mijn horloge. Als ik bij Egmond aankom, rijden de grote mannen al het strand op en ik kom geheel buiten adem aan in het laatste startvak, waar ik ook gezien mijn startnummer thuishoor. Nog enkele minuten om een stroopwafel te eten en op adem te komen en de race gaat ook voor de mindere goden van start. Ik smokkel wat naar voren maar behoor toch tot de laatste paar honderd starters en als ik het strand op rij zie ik een onafzienbare stoet van duizenden fietsers in een lichte boog naar het zuiden rijden. Een prachtig gezicht, een soort uittocht van Egypte naar het beloofde land. Ik zie voor mijn geestesoog de zee al wijken; hier ligt toch niet voor niks Wijk aan Zee; en zie ons fietsen over de droge zeebodem langs wrakken en mammoetbeenderen richting Doggersbank. Niet dromen Gerard, blijf bij de les. Voor me zie ik handen omhoog gaan en even verder liggen wel tien fietsframes samen met allerlei lichaamsdelen op een hoop. Je hebt hier alle ruimte maar toch gaat het opvallend vaak mis op het strand.

Ik heb geen last van zware benen na de tijdrit en voel me eigenlijk net goed op stoom komen. Zo storm ik vele honderden deelnemers voorbij. Waarschijnlijk mannen die maar één keer per jaar hun MTB speciaal hiervoor uit de schuur trekken en de rest van het jaar op de bank zitten met een biertje maar ik voel me een hele Piet in dit veld van dilettant fietsers. De harde wind komt meer van op zij dan van achteren dus het is nog best werken geblazen. Aan de luwe kant spring ik van groepje naar groepje en dat schiet aardig op dus voor ik het weet komt de pier van IJmuiden in zicht. Daar moeten we het strand af. Met deze harde banden is rijden door mul zand geen optie dus ik ren met de anderen richting het harde beton van de pier. We rijden nu over een fietspad door de duinen terug naar het noorden. Na een paar kilometer gaan we het strand weer op en ik verbaas me over de onafzienbare stroom van fietsers die we nog tegenkomen. Die heb ik dus merendeels ingehaald zoëven. Anderzijds is het zo dat ik de toprijders al tegenkwam op hun terugweg toen ik nog lang niet bij de pier was.

Bij Castricum moeten we een duinovergang op. Een vreemd rondje over een parkeerplaats en weer terug het strand op. Zeker om de sleur te doorbreken van het inderdaad eentonige strandrijden. Maar dat vind ik juist wel wat hebben. Nu nog de laatste tegenwindse loodjes naar Egmond. Omdat de wind van opzij komt krijg je hier hele brede waaiers. Soms wel dertig man breed. Als je daar in zit en je kijkt op zij zie je een lange rij fietsers in kaarsrechte slagorde naast elkaar rijden. Een prachtig gezicht. Alsof we ten strijde trekken tegen een denkbeeldige fietsvijand. Ik krijg de neiging om mijn fietspomp naar voren te steken en te roepen: “Mannen, ik val aan, volg mij”. Waarschijnlijk een zelfde droef lot tegemoet als admiraal Karel Doorman destijds bij de slag in de Javazee.

Ik zit in een strijdlustige groep en samen overspoelen we vele moegestreden frontsoldaten. Telkens als we iemand krijgsgevangen maken, opent zich de formatie om zich daarna weer te sluiten. Een perfect stukje non-verbale samenwerking. Ook het koprijden gaat goed, korte aflossingen, prima. Je bent met deze wind na een minuut al gesloopt op kop en er is dan ook niemand die ontsnapt uit de groep. Ik probeer het als we een grotere groep oprollen en alles uit elkaar valt maar ik krijg niemand mee en val weer terug in de slagorde. Zo komen we spelenderwijs aan bij Egmond waar ik in de eindsprint door het mulle zand en over de boulevard enkele rijders uit onze groep voor me moet dulden. Maar de meesten laat ik achter me. Op de boog boven de finish geeft de klok 1.41 uur aan. Mijn horloge geeft tien minuten minder wat klopt omdat de laatste groep ongeveer zo veel later vertrok dan de eerst gestarten. Toch zie ik later in de uitslag deze 1.41 weer terug. Ik neem aan dat de registratie van de transponder bij de start niet heeft gewerkt. Hoe dan ook, ik hou het op ongeveer 1.30 uur en daar ben ik best tevreden over gezien de 1.10 uur voor de Hoogerlands en ten Dams. Opvallend was dat de grote namen pas rond de tiende plaats binnen kwamen. De snelste was de mij onbekende Rob van der Niet in 1.07 uur.

Dit was al weer de laatste race langs woelige baren van dit seizoen. Mijn dierbare ouwe Peugeootje krijgt voorlopig rust en een nieuwe trapas. Toen ik de fiets gisteren in orde wilde maken, merkte ik dat de trapas vast zat. Vastgeroest! Met een gerichte schop kreeg ik hem weer op gang maar het lager loopt rauw en heeft veel speling. Tijdens de tocht bij Scheveningen was ik gedwongen het ruime sop te kiezen en ik huiverde toen al bij de gedachte dat de lagers op dat moment vol zeewater stroomden. De wiellagers had ik ruim gesmeerd en hebben het goed doorstaan maar het bracketlager kun je niet smeren en is bij gevolg naar zijn grootje. Aangezien ik net zo lief aan fietsen sleutel dan er op rij, is dit een bijkomend voordeel van het strandracen. Nu nog met zware benen dertig kilometer terug naar Haarlem. Ja, een strandrace is niet voor watjes!

Op de terugweg over het strand kom ik nog een oude bekende tegen; mijn bidon. Het wordt vloed en hij drijft al in zee en staat op het punt het zeegat uit te gaan als ik hem ten koste van twee natte voeten ternauwernood kan redden. Ik was hem in het begin van de tocht al verloren. Een kostbare originele Cycloteam drinkbus waar je eigenlijk met je leven over moet waken. Toch had ik geen zin om in mijn remmen te knijpen toen hij uit mijn hand glipte. Ik rekende er op dat ik hem op de terugtocht wel terug zou vinden. En zo geschiede, al was het dan op het allerlaatste moment!

 

advertenties