Elfstedentocht met een omweg van 2000 km

 

Door: Gerard Murre

 

Het kan raar lopen in een mensenleven. Je rijdt helemaal naar Noord-Italië om daar een alternatieve Elfstedentocht te gaan schaatsen en je komt uiteindelijk in Leeuwarden terecht om daar de echte tocht der tochten te gaan volbrengen.

 

Aangezien ik zowel schaats als fiets ben ik genoodzaakt om twee keer per jaar van vriendenkring te wisselen. Deze winter was het weer erg gezellig op de ijsbaan met schaatsvrienden Kees-Jan en Jack waar we onze conditie en techniek bijschaven, af en toe een marathonwedstrijdje rijden en aansluitend de firma Jägermeister een goede dag bezorgen. Om het toch wel wat eentonige rondjes rijden op de ijsbaan zin te geven, werken we elk jaar toe naar het rijden van een elfstedenafstand. Liefst natuurlijk de enige echte, maar bij het voortdurende gebrek aan strenge winters zoeken we ons heil doorgaans in Scandinavië of op de Weissensee. Dit jaar was het volbrengen van de 200 km op de Reschensee het doel van onze trainingsinspanningen.

 

Zo komt het dat ik samen met levensgezellin Hester op 5 februari 2012 arriveer bij het naar later bleek, onvolprezen hotel Schwarzer Adler in Reschen of op zijn Italiaans: Resia. Bij de ingang staat reeds triomfantelijk de Porsche van Bert die me een uur eerder met veel machtsvertoon op de Autobahn was voorbijgereden. Bert, geflankeerd door zijn charmante vriendin Ilonka, behoorde enkele jaren geleden tot ons trainingsgroepje maar door een keuze voor het luie leven hebben we hem lange tijd niet op de ijsbaan aangetroffen. Deze week gaat hij zijn leven beteren in een bij voorbaat vergeefse doch moedige poging om de 200 km met ons mee te schaatsen. Onze schaatsdiva’s kiezen voor een kortere afstand. Om het aangename met het uitputtende te combineren, hebben we beiden een skiweek met onze eega’s aan de schaatstocht geplakt. Kees-Jan, Jack en aanhakend schaatsvriend Jelle volgen woensdag teneinde op vrijdag de tocht te rijden.

 

Zo brengen wij al skiënd en Jagerthee drinkend de eerste dagen door. Hartstikke leuk maar wel erg koud. Min tien tot min twintig waarbij een ijskoude storm door het dal jaagt. Maandagmiddag is de rijdersbespreking voor de eerste tocht die op dinsdag zou plaatsvinden. De lichaamstaal van de organisatoren voorspelt niet veel goeds en inderdaad, de tocht wordt afgelast. En meteen ook maar onze tocht op vrijdag. Er heeft zich een laag bevroren sneeuw op het ijs vastgezet en die is er niet af te krijgen dus er kan gewoon niet geschaatst worden. We hebben onze schaatsen bij ons maar bij het meer aangekomen, jaagt er een dermate poolstorm over de baan dat we maar rechtsomkeer in de warme auto zijn gedoken om ons bij een biertje in het hotel over de nabije toekomst te gaan bezinnen.

 

Intussen druppelden de berichten over strenge vorst in Nederland en de eerste tochten op natuurijs binnen. Onze schaatsmakkers sms-en dat ze niet komen en in Friesland tochten gaan rijden. Daarbij komt als klap op de vuurpijl de gedenkwaardige persconferentie op woensdagavond over het misschien doorgaan van de Elfstedentocht. Het zal me toch niet gebeuren! Ik steek zowat mijn kop in de laptop waarop we de persconferentie live kunnen volgen om maar niets te missen. Maar de tocht gaat niet door. Jammer maar toch wel helaas dat ik niet hals over kop naar Friesland moet vertrekken. De eerste euforie is in de kiem gesmoord maar het elfstedenvuur smeult door als een heidebrand gevoed door enthousiaste sms-jes over schaatstochten van onze dissidente kandidaat ex-schaatsvrienden. Als toppunt van leedvermaak laten ze weten dat ze zaterdag de Elfstedentocht op eigen houtje gaan schaatsen. Ik ben niet meer te houden!

 

Het bij voorbaat kansloze tegensputteren van Hester blijft binnen relatiebedreigende perken en om een lang verhaal, en vooral een lange autorit, kort te maken; arriveer ik vrijdagavond 19.00 uur in Haarlem. Ik heb een half uur om de nodige spullen bij elkaar te graaien en daar drukken de andere expeditieleden al weer op de bel. Na zelf die dag twaalf uur achter het stuur te hebben gezeten, sta ik mijn zitplaats graag af aan Kees-Jan en gaat het linea recta richting Leeuwarden. Jelle heeft daar slaapplaats geregeld bij zijn zuster Johanna en na een hartelijk welkom lig ik weldra op een leeglopend matje op de keiharde vloer terwijl mijn jonge vrinden heerlijk op zachte matrassen liggen te snurken.

 

Als het vriest ontdooien de stugge Friezen kennelijk want de volgende morgen worden we door zussen en zwager van Jelle op zaterdag 11 februari om zeven uur ’s ochtends naar de Zwette gereden waar we bepaald niet de enige kandidaten zijn voor een denkbeeldig elfstedenkruisje. Enkele tientallen tochtgenoten maken zich samen met ons los van de oever om deze ultieme schaatsuitdaging aan te gaan. Het is donker maar de volle maan beschijnt het ijs met een flets schijnsel waardoor scheuren op tijd oplichten en we zonder vallen en opstaan de eerste kilometers afleggen. Zo rijden we ongemerkt het dageraad in en glijden de kilometers zoevend en knerpend onder onze ijzers vandaan. Moeiteloos want er is geen zuchtje wind en de zon loert al over de horizon. Even voor Sneek trekt Jack ons naar de kant. Wonder boven wonder staat daar een Friese schone te wachten met hete koffie. Hoe hij dit nou weer heeft geregeld, heb ik maar niet gevraagd want het zou kunnen dat zijn vrouw dit stukje leest dus slurp ik mijn koffie dankbaar naar binnen en vervolg op wakkere wijze mijn weg.

 

De contouren van Sneek doemen op in het vroege ochtendlicht en met een bewonderende doch vluchtige blik op de Waterpoort verlaten we snel deze eerste van elf om in een mum van tijd te arriveren in de tweede. IJlst moet nog wakker worden als we soepel door het centrum glijden richting Slotermeer. Ook hier is een baan geveegd waar we erg blij mee zijn want anders hadden we nu de hulp van sledehonden moeten inroepen. Op de smalle strook vormt zich een file waar door de Rijksdienst voor het Wegverkeer niet voor was gewaarschuwd. Er wordt zelfs af en toe een spookrijder gesignaleerd. Schaatsers worden verzocht om rechts te houden, niet in te halen en het spook met opgestoken vingersignalen te waarschuwen. Kees-Jan weet met een bliksemschichtachtige beweging een dergelijke geestesverschijning nog net te ontwijken.

 

Ondanks dat het hier aardig kan spoken, ligt het meer er, afgezien van de sneeuw, als een spiegeltje bij. We glijden met kalme slagen Sloten tegemoet. We schaatsen onder eeuwenoude gemetselde bruggetjes door en genieten van het middeleeuwse stadje. De tijd lijkt hier te zijn bevroren. Maar hoe betoverend mooi het plaatsje ook mag zijn, we laten het al weer spoedig aan haar lot over en trekken verder over het Slotermeer richting de gevreesde en de laatste weken vaak in het nieuws genoemde Luts. Deze eigenwijze boerensloot is er zowat in zijn eentje verantwoordelijk voor geweest dat de Elfstedentocht niet is doorgegaan. Ik ben benieuwd naar de verschrikkingen die ons daar wachten maar ter bestemder plaats is er geen verschrikking te bekennen. Anderhalf wak en een paardenkop en dan hebben we de in de pers breed uitgemeten verschrikkingen wel zo’n beetje gehad. Gewoon sterk ijs, geen krakje, geen piepje, niks en ik vraag me af of het betreffende rayonhoofd zijn maatlat wel goed heeft afgelezen. Maakt niet uit. Nog een stukje en we kunnen Stavoren ook afvinken. Als ik ergens even sta te wachten op mijn maats zie ik een bekende, vrij grote neus vanuit een berenmuts steken. Dat lijkt wel Frank Scheffer van Cycloteam. Als we weer samen zijn, laat de gedachte niet los dat hier mogelijk een groepje fietsvrienden voor me schaatsen. Ik maak mijn slag wat krachtiger en loop snel op het groepje in. Op de fiets was me dat bij Frank vast niet gelukt. Bij Stavoren zie ik de man met de berenmuts onderuit gaan en bij nadere beschouwing blijkt het inderdaad Frank te zijn. Na een korte kennismaking waarbij blijkt dat hij de enige Cycloteamer is, sluit ik me weer aan bij mijn lotgenoten.

 

We slaan af naar het noorden en krijgen de wind tegen. Veel heeft die niet om het lijf zodat we Hindeloopen, Workum en Bolsward als paarlen aan een wintersierraad kunnen rijgen. Tot dusver heeft de tocht nauwelijks enige inspanning gekost en ik vraag me af hoe ik het in ’85, ’86 en ’97 voor elkaar heb gekregen om hier zo af te zien. Ik was toen toch nog een jonge vent? Waar ooit de hel van ’63 werd verreden, glijden we nu fluitend door het paradijs van ’12. Een zonnetje, weinig wind, prachtig ijs en Jelle. En Jelle? Ja, dank zij de conditioneel wat minder bedeelde Jelle, kunnen de anderen er een pleziertochtje van maken. Arme Jelle, zorgen jullie er voor dat hij dit niet onder ogen krijgt? Zonder hem hadden we er een duel van gemaakt. Een man aan man gevecht op het scherpst van de snede en waren we overal zonder iets anders te zien dan ijs en scheuren aan voorbij gevlogen. Nu is het puur genieten van het prachtige Friese sneeuwlandschap en de kneuterige stadjes.

 

In Bolsward eet ik een broodje rookworst. Om één of andere reden valt dit niet goed en ik krijg vervelende buikkrampen. Bij Harlingen begint het steeds erger te worden en na een flinke kluuntocht over de sluizen krijg ik om de paar tellen een steek door mijn buik. Ik zoek naar een plekje waar ik discreet mijn broek kan laten zakken maar of de duvel er mee speelt, rijden we juist door de meest onbeschutte streek van heel Nederland. Geen boom, geen bouwsel, niks en preuts als ik ben, kom ik op noodlijdende wijze Franeker binnen. Daar staat de voltallige familie van Jelle ons op te wachten met warme snert en ik maak van de gelegenheid gebruik om ergens aan te bellen om iets te gaan doen wat elke beschrijving tart. Na dit onbeschrevene te hebben volbracht, voel ik me direct een stuk beter en de gevreesde Blikvaart wordt gedegradeerd tot een wandelingetje in het park. Het silhouet van de kenmerkende brug bij Bartlehiem doemt aanstonds op en we zetten de sokken er in richting Dokkum. Jelle haakt aan bij een groepje van zijn tempo en de anderen gaan lekker los over de Dokkumer Ee. Binnen no time staan we onder de karakteristieke molen van de voorlaatste stad op Jelle te wachten. Binnen twee minuten komt hij er al aan dus het verschil in snelheid is zo groot nog niet.

 

Van hier af is het nog maar een luttele 25 kilometer naar de verlossende eindstreep en we pierewaaien in recreatief tempo richting Leeuwarden. Even na Bartlehiem verschijnt voor me de geblokte gestalte van één van de oorspronkelijke bewoners van deze provincie waarmee ik, dat had ik nog vergeten te vermelden, nabij Franeker een twistgesprek heb uitgevochten. Sterker nog, het scheelde maar weinig of we waren op de vuist gegaan. Ik had me in mijn onschuld op soepele wijze ingevoegd in een rij schaatsers die naar mijn gevoel op hun elvendertigst aan het klunen waren. Dat werd door deze meneer met lang krullend piekhaar geheel ten onrechte opgevat als voordringen en ontaarde via het uitwisselen van verwensingen in lichtelijk duw- en trekwerk. Nu ik de gestalte herken, lijkt het me een uitgelezen moment om mijn sociale vaardigheden in kritische situaties aan een praktijkproef te onderwerpen. Ik ga naast hem rijden. Hij herkent me maar voor hij iets kan zeggen, bied ik mijn excuses aan voor mijn onbetamelijke gedrag en spreek ik de hoop uit dat wij allebei deze bijzondere tocht op onbekommerde wijze zullen volbrengen. Hij moppert nog wat in Fries dialect maar als ik mijn hand uitsteek, kan hij eigenlijk ook weinig anders dan die aangrijpen en na een kort gesprekje over deze prachtige dag in zijn algemeenheid, maak ik tempo om mijn vooruit gereden teamleden bij te halen. Experiment geslaagd.

 

Na een onverwachte honderd meter klunen bij Hoogkerk ruiken we de thuishaven en als ongedurige sledehonden rukken we aan de rustig en gestaag doorschaatsende Jelle. We hebben hem een groot deel van de tocht uit de wind gehouden maar het schaatsdier in ons wint het van de solidariteit en als ik even vaart maak, vliegen Jack en Kees-Jan als jonge honden over me heen. Ik krom de rug en haal de demaranten weer bij en gedrieën stormen we op het tegelbruggetje af. Het gaat nog steeds gelijk op, ik met mijn lange slagen en de andere twee met hun korte felle slagen tot Jack het turboknopje indrukt waar wij zoals gebruikelijk geen antwoord op hebben. Een paar meter voor ons tikt hij als eerste het bruggetje aan. Ik had het nog nooit in het echt gezien want het is van na de laatste Elfstedentocht. De anderen, die hier gisteren hadden geschaatst, zochten naar een tegeltje met mijn foto. Maar nee, zo ijdel ben ik nou ook weer niet.

 

Jelle voegt zich spoedig op waardige wijze bij ons en al schaatsend leunen we als het ware achterover om te genieten van de meest weergaloze zonsondergang die ik in jaren heb mogen aanschouwen. De gloeiende kool wordt steeds groter en het rood wordt steeds intenser. De hemel gaat meekleuren. Eerst een zweem van oranje, later staat de hele atmosfeer in brand. Een mooier slotscenario had zelfs Steven Spielberg niet kunnen bedenken. Er wordt niet meer gesproken en diep onder de indruk van dit natuurfenomeen ontdekken we dat we ongemerkt op de Bonkevaart zijn beland. We hebben het gehaald! In de verte zien we zelfs een finishdoek met een omringend aantal mensen dat met recht een menigte kan worden genoemd. Een enthousiaste, joelende menigte constateren we als we dichterbij komen. Het lijkt wel echt! Gebroederlijk gaan we hand in hand over de eindstreep en worden onmiddellijk omstuwd door de Friese familie van Jelle die al mijn vooroordelen over dit vermeend stugge volk als ijs voor de zon laat verdwijnen. We worden geknuffeld, op schouders geslagen en heel toevallig hebben ze een fles Berenburger bij zich die niet veel later rijp is voor de glasbak. Zelfs de niet meer zo heel piepjonge ouders van Jelle, die net 50 is geworden, wagen zich met hun broze botten op het ijs nu ze trots kunnen zijn op hun helaas naar het westen gedeserteerde zoon.

 

De gastvrijheid kent geen grenzen en zus Johanna nodigt ons uit zodat haar huis binnen de kortste keren bezaaid ligt met stinkende sportkleren. Na het douchen komt Jelle’s vader er al weer aan met een Focus volgeladen met Chinees. Dat gaat er goed in en het is voor het eerst dat ik meemaak dat er van een Chinese maaltijd niets overblijft. Van het vervolg van de avond heb ik van horen zeggen dat het erg gezellig is geweest en dat er stevig is geklonken op onze prestatie. Na een autorit van 12 uur en een schaatstocht van 11 uur vlak achter elkaar ziet de man met de hamer zijn kans schoon om mij een flinke mep te verkopen en ik heb de rest van de avond dan ook heerlijk ronkend op de bank mogen meemaken.

 

Eind goed, al goed en evaluerenderwijs concludeer ik dat dit de makkelijkste 200 km tocht was van de circa 10 die ik tot nog toe heb geschaatst. Op een bepaalde manier heb ik er wel het meest van genoten. De andere tochten waren gericht op doorgaan, afzien en een zo goed mogelijke tijd. Deze tocht stond in het teken van om je heen kijken, genieten van het landschap, van de sfeer en van de goddelijke schaatsbeweging die je als je hem eenmaal goed beheerst, je vleugels lijkt te geven. Helaas is hierbij de mythe doorgeprikt dat de Elfstedentocht per definitie een strijd is van mens tegen natuur die slechts na het doorstaan van de vreselijkste ontberingen kan worden gewonnen. Gelukkig wordt dit stukje niet veel gelezen dus laten we de gewone mensen maar in de waan laten. Anders is het zo sneu voor de paar honderd man en vrouw die nu de eerstvolgende verjaardagen het middelpunt van de bewondering zijn. Nee, deze mythe laten we mooi in stand. Dus lezers; snaveltjes dicht. Dit is ons geheimpje.

 

advertenties