Rondje Zuiderzee: de ondraaglijke leegheid van het land

Door: Gerard Murre
Datum: 10/07/2011

 

Het is er vlak, het is drassig, het regent er altijd en voor alles is het gevuld met leegte, met dreigende luchten en eindloze velden. Hier komt niemand want er is niets om voor te komen. En als je er bent, wil je er weg. De stilte grijpt je naar de keel en jaagt je op de vlucht. Weg van de leegheid van het land, de leegheid van het bestaan. Wie hier is geweest, herkent het gevoel. Een gevoel dat je verder jaagt. Voort naar iets waar een warme kachel brandt, waar een borrel voor je wordt ingeschonken of desnoods een bak koffie en waar een lach klinkt en geroezemoes. Dit vacuüm tussen het kraak- en smaakloze Lemmer en het knusse Blokzijl is de streek die in haar volstrekte luchtledigheid nog de meeste indruk op me heeft gemaakt van alle 350 kilometers die we op zaterdag 25 juni 2011 rond de eertijdse Zuiderzee hebben gefietst. Kilometers die we na zware strijd op regen en tegenwind hebben veroverd.

 

Maar laat ik beginnen waar we begonnen zijn. Een mailtje van de altijd van enthousiasme bruisende Maarten sloeg zo aan dat bijkans de halve mannelijke bevolking van Zunderdorp en omstreken deze zaterdag bij nacht en ontij het huis uitsluipt om zich te voegen bij een slaapdronken gezelschap dat om vier uur in de ochtend de pedalen in klikt nabij een Amstelveense sportschool. De Suyderseeronde; een sprong in het diepe van een aantal lieden met goede inborst die een sponsortocht organiseren ten faveure van chronisch zieke kinderen (www.suyderseeronde.nl). Dertig mannen, waarvan ik zo te zien de oudste ben, en één vrouw kronkelen langs een in het donker gehulde Amstel richting Amsterdam. Met fietsmakker Kor neem ik de kop tot we al na 10 minuten merken dat niemand meer volgt. We houden in en Maarten komt achterop samen met Hugo. Een lekke band heeft de rest van de groep platgelegd. Het was toch al onze bedoeling om ons eigen tempo te fietsen dus we gaan door. Dwars door het uitgestorven Amsterdam rijden we in stevig tempo richting Schellingwouderbrug waar ik de kop afgeef aan de altijd verkeerd rijdende Maarten. Aangezien we slechts twee kilometer van zijn woonhuis verwijderd zijn, moet dit geen probleem zijn. We stoppen om te plassen; “Nu al Kor?” en rijden een merkwaardig slingerparcours door het deel van Amsterdam Noord waar ik vroeger vaak kwam zodat ik herken dat Maarten het zelfs binnen zijn eigen jachtgebied presteert om om te rijden. Voort gaat het richting Zunderdorp waar we langs het huis van Maarten komen die toch wel teleurgesteld is dat zijn vrouw en kinderen hem niet om half vijf ’s ochtends staan aan te moedigen. Groot gelijk Elien!

 

Geen haar op ons hoofd die er tot dat moment aan twijfelt dat we ruim op kop liggen. Ongeloof maakt zich dan ook van deze haren meester als we plotseling de voltallige groep van Suyderseeërs voor ons stil zien staan. Ze zijn ons kennelijk tijdens ons ommetje in Noord gepasseerd en zijn nu gestopt door materiaalproblemen. Spaakbreuk hoorden we later en wonderwel was het vlak bij het huis van Pieter die een recht wiel uit de schuur toverde zodat de pechvogel zijn weg kon vervolgen. “Net doend of we er niet zijn” passeren we de groep en na nog twee voorliggers te zijn voorbij gestoven, ligt de wereld aan onze voeten. Een wereld die wacht op de door Erwin Krol beloofde zuidwestenwind die ons zonder moeite naar Friesland had moeten blazen. Maar het is bladstil en op eigen kracht glijden we door de vroege ochtend van het Westfriese land. Kor en Maarten afwisselend op kop terwijl ik me af en toe ook even aan de kop meld om snel in te zien dat ik daar met deze snelheden maar beter niet al te lang moet vertoeven. Hugo heeft van meet af aan al door dat de staart van het groepje hem het best ligt. Zo schieten we in onze ijver Hoorn binnen waar we er omheen hadden moeten rijden. Na een paar loze kilometers zijn we weer op het goede spoor. Nog voor de Afsluitdijk moet er nog twee keer gepinkeld worden waarop ik de betrokkenen indringend adviseer om hun prostaat maar eens te laten controleren.

 

Ondanks de plechtige gelofte aan mezelf niet boven de dertig te rijden, zijn we Noord Holland dik hierboven doorgeknald. Bij de aanzet van de Afsluitdijk staat het busje van de organisatie met spijs en drank op ons te wachten. Uitstekend verzorgd mag ik wel zeggen en snel tanken we nietsvermoedend de nodige calorieën voor de volgende etappe. We zijn dan ook totaal verbijsterd als er plotseling een, ik zal maar voorzichtig zeggen, niet geheel afgetrainde deelnemer met een gevolg van twintig anderen arriveert. Kennelijk mensen met een sterkere blaas want ons pittig begintempo heeft maar een paar minuten winst op de hoofdgroep opgeleverd. Maarten is hier niet blij mee maar laat het niet merken. We stappen op, niemand van de vervolgers haakt aan en Maarten zet zijn verbolgenheid om in pure snelheid nu we met de eindelijk opgestoken wind in de rug naar Friesland suizen. De turbo gaat er op en boven de veertig raffelen we langs de anders zo eindeloze dijk die onder ons ontketend geweld verschrompelt tot een kort sprintje. Een ruim half uurtje later rijden we hoog en droog de Friese grens over waar de eerste regendruppels ons welkom heten. Deze ongenode gasten zouden ons de rest van de tocht vergezellen.

 

Makkum is het eerste dorp dat onze weg kruist en we slagen er zowaar in om in een dorp van een straat of tien te verdwalen. Als ik niet afgelopen winter een familieweekend in dit havenplaatsje had doorgebracht, zouden we er waarschijnlijk nog steeds ronddolen maar mijn locale kennis brengt ons snel op de goede weg. Onderlangs de IJsselmeerdijk naar Workum en door naar Koudum. De bewoners van deze streek kijken ons schaapachtig aan. Het zijn dan ook schapen die in groten getale hun keutels precies op het wegdek staan achter te laten. Tandenknarsend besef ik dat het achterwiel van Kor me niet met koel, helder water besproeit. Buiten spetterafstand rijden kost me te veel kracht dus gelaten laat ik me volledig met schapenpoep doorweken. In gedachten rij ik hier in een stevige Landrover met een noodgang langs de dijk terwijl de ruitenwissers het schapenbloed nauwelijks kunnen verwerken. Maar het zou zo kunnen dat de rollen zijn omgekeerd. Aangezien ik verder geen levend wezen van Friese herkomst kan ontdekken, begin ik te vrezen dat de schapen hier de macht hebben overgenomen. De Friezen zijn wellicht bij Dokkum verslagen en mogelijk wacht ons weldra een zelfde lot. Straks moeten we nog koersen voor ons leven met een kudde bloeddorstige schapen achter ons aan. Ik schat dat Hugo het eerst van zijn fiets zal worden getrokken om verscheurd te worden door vlijmscherpe schapentanden. Misschien geeft dat genoeg tijd om weg te komen want de volgende ben ik. Survival of the fittest, Maarten in dit geval.

 

Zonder schapenbeten passeren we de Galamadammen waarmee we deze wolven in schaapskleren veilig zijn gepasseerd. We rijden door een lommerrijke streek. De Friese Wouden heb ik ooit op de lagere school geleerd. Zou dat hier zijn? En zou de wolf al vanuit Duitsland zijn doorgestoten? Weer lopen we gevaar en Kor met zijn 100 kilo droge spieren wordt op kop gedirigeerd om het roofgedierte duidelijk te maken dat ze hier niet met Roodkapje van doen hebben. Schichtig banen we ons een weg door het dichte gebladerte terwijl Hugo, die kennelijk het onvolprezen lied “De dodenrit” van drs. P niet kent, als smakelijk hapje achter ons aan bungelt. “Troika hier, troika daar, waren we in Lemmer maar” neurie ik voor me uit. We rijden het bos uit een dorp binnen. Eindelijk het veilige Lemmer. Du momênt dat ik me veilig waan, doemt er een nieuw gevaar op. Bij het passeren van een twijfelachtig hotel worden we bijkans besprongen door twee niet onknappe vrouwen. Hebben de dames van lichte zeden hier zo weinig klandizie? Of zijn de huiswijven hier zo desperate? Helaas niets van dit alles. Het blijken de dames te zijn die de verzorgingpost Lemmer bevrouwen en daarmee totaal geen gevaar vormen. In tegendeel. We krijgen juist van alle kanten lekkernijen toegestopt. Helaas zijn we zijknat en koelen we navenant snel af zodat we meteen weer met hamsterwangen de regen in moeten om geen stramme spieren te krijgen.

 

We volgen nu de oude Zuiderzee-oever naar het zuiden. Maar het water heeft plaats gemaakt voor land en de nutteloze dijken die we volgen zijn het enige reliëf in een door God verlaten polder. Zo heeft de duivel vrij spel om ons het leven zuur te maken met striemende regen en slopende tegenwind. Wat een uithoek is het hier! Nederland is nog niet zo vol als we in het westen denken. Het lege land heeft toch nog iets aparts te bieden; ooievaars. Ik spot er verschillende waarvan eentje op een lantarenpaal recht boven ons hoofd. Hoewel er verder niets is om ons af te leiden, slagen we er in om een routepijl over het hoofd te zien en komen uit in Ossenzijl. Mij wel bekend als startpunt van menige schaatstocht zodat ik weet waar we heen moeten. Kor ontdekt een smal fietspaadje dat kilometers langs de Weerribben slingert om uiteindelijk in Blokzijl uit te komen. We zitten weer op de route. Een lieflijk dorp, het bezien waard, maar onze plicht roept en we rijden door richting Zwarte Water waar we uiteindelijk een welkome rustpauze vinden op de pont naar Genemuiden. Een vreemde naam, zou dat het Muiden zijn dat aan gene zijde ligt? Verlaat ik het land der levenden met dit pietepeuterige pontje? Ik had mijn verscheiden grootser voorgesteld. In de Griekse mythologie heb je toch ook een veerpont die je naar het dodenrijk brengt? Ik wacht in spanning af maar aan de overkant; geen Petrus, geen engelen. Zelfs de 70 maagden laten verstek gaan en ik realiseer me dat ik nog een tijdje door moet op deze aardkloot.

 

“Vort met dat peerd” en we galopperen in gestrekte draf op onze ijzeren paarden richting Kampen waar we door Kor, die daar de weg weet, op sleeptouw worden genomen. Op zelfverzekerde wijze slingert hij linksaf, rechtsaf door de stad tot ik doorheb dat dit niet zijn bekende route is, maar dat hij op intuïtie de juiste richting zoekt. Dat is inderdaad een groot talent van Kor maar we ontkomen zo niet aan weer een extra kilometertje. In het Anton Pieckerige Elburg is onze volgende ravitaillering. We rijden het stadje binnen op zoek naar de krentenbollen en bananen maar dat is nog niet zo makkelijk. Het busje staat niet op de aangegeven plaats. Dat kan ook niet want auto’s zijn daar niet toegestaan om de middeleeuwse sfeer niet te verstoren. Uit weeromstuit verstoren de automobilisten nu de sfeer te voet met hun zeer talrijke aanwezigheid en voor we bij de bananen zijn moeten we ons eerst bewijzen in het behendigheidsspel “Op racefiets toeristen ontwijken op gladde kasseien”. Voorwaar geen eenvoudige opgave en Kor gaat dan ook prompt onderuit. Met een zere elleboog loodst hij ons alsnog naar het busje met lekkernijen.

 

Langs het Veluwerandmeer spoeden vier verregende schimmen zich westwaarts. Meestentijds Kor op kop en dat is nog wel te volgen maar als Maarten overneemt moet je oppassen. Zoals met alles kan hij ook bij het op kop rijden geen maat houden en met 37 per uur rijden we recht tegen windkracht vijf in. Dat begint mij zelfs in het tweede wiel rijdend pijn te doen en Hugo moet helemaal afhaken bij dit geweld. Bij het pontje over de Eem staan al weer mensen op ons te wachten met eten en drinken. We grissen het ongemanierd uit hun handen want de pont vertrekt en we hebben geen tijd te verliezen. “Waarom eigenlijk niet?”, vraag me af. Aan een antwoord kom ik niet toe want we staan al weer aan de overkant aangezien de pont vrijwel even lang is als de Eem breed. Volgens de routebeschrijving die ik zo goed mogelijk uit mijn hoofd heb geleerd is het nu één rechte weg door Laren en Naarden naar Diemen. Toch kan Kor het niet laten om een smal paadje van de toeristische IJsselmeerroute in te slaan. In een zwak moment vergeet ik tegen te sputteren. En jawel, kilometers lang blijft mijn kompas een verkeerde richting aanwijzen. Als ik protesteer zijn we inmiddels te ver om terug te gaan en we gaan door over smalle zandpaadjes en door weilanden tot we in Blaricum aankomen. Op zich een prachtig gebied voor een omweg maar niet als alles aan je lijf pijn doet. Blaricum is de laatste plek waar we onze befaamde verdwaaltruc uithalen maar gelukkig is het klein dus we zijn snel op de juiste weg naar het westen. Hier hebben we vaker gefietst en Kor loodst ons met af en toe een kleine correctie mijnerzijds door Weesp en Driemond richting eindpunt Amstelveen. Maarten en Hugo hebben er alle vertrouwen in en bemoeien zich niet met de navigatie. Maarten krijgt tegen het eind van de rit nog een lekke band. Wonderwel de enige na zo’n natte dag. Niet dat ik er echt doorheen zit maar mijn benen gaan moeizaam rond en mijn hartslag wil niet meer omhoog. Ik wil er gewoon zijn en met een biertje in een zachte bank wegzinken. Hugo, die het nog het moeilijkst heeft gehad, krijgt tegen het eind een opleving en Kor en Maarten fietsen als echte mannen van staal nog al waren ze zojuist vertrokken. Zo arriveren we bij de Amstelveense sportschool Special Sports alsof we een broodje bij de bakker hebben gehaald. En daarbij door een gierwagen zijn besproeid moet ik er meteen bij zeggen want we zien er uit als beesten. Om precies te zijn; als varkens. Het is een wonder dat we binnen worden gelaten in dit trendy etablissement, stinkend, smerig en doorweekt als we zijn. We hebben zo wel de aandacht van de vele knappe dames die er rond lopen maar om een verkeerde reden.

 

Ondanks ons afstotelijk uiterlijk worden we allerhartelijkst ontvangen. We mogen douchen en krijgen door een misverstand zelfs gratis bier en hamburgers aangeboden. Dat gaat er goed in na 350 hard bevochten kilometertjes. Zo’n 20 meer dan aangekondigd dus als we overal goed waren gereden waren we nog drie kwartier eerder aangekomen.. We hebben er 11.45 uur over gedaan met een gemiddelde snelheid van 29,7 km/uur. Daar nemen we nog een welverdiend biertje op en liefst nog één en nog één maar helaas ben ik mijn eigen Bob dus dat gaat niet gebeuren. Intussen hebben we nog niemand van de organisatie of van de andere fietsers gezien. Het is best gezellig om de afgelopen 12 uur te evalueren maar op een goed moment wil je toch wel naar huis. Na twee uur wachten zijn we dan ook ieder ons weegs gegaan. Blij dat we deze prestatie met elkaar konden delen. In de boze buitenwereld wordt je als idioot beschouwd als ze horen dat je twaalf uur achter elkaar met 30 km/uur door regen en wind hebt gefietst. Maar dat hebben we er graag voor over.

 

 

advertenties