huisdichter gerard op reis:Van Keylong naar de Baralacha La

Door: Gerard de Kam

Van Keylong naar de Baralacha La

 

Een nieuwe dag is aangebroken. Een dag zo schitterend badend in het zonlicht zoals je dat alleen in de Himalaya aantreft. Ik bevind me dan ook op 3200 meter hoogte en dat is toch ruim drie kilometer minder dampkring om de zonnestalen af te remmen. Nivea heeft hier een goede klant aan me en ik hou mijn hoofd steeds bedekt want dit is niet de tijd en de plaats om eens gezellig een zonnesteek te gaan oplopen. Dit was al mijn tweede nacht boven de 3000 meter en afgezien van een ietwat zwaar gevoel in mijn hoofd heb ik nergens last van. Veel reizigers richting Leh brengen hier de nacht door omdat het nog relatief laag is. Niettemin hebben veel mensen hier al last van hoofdpijn en misselijkheid. Hier is de fietser in het voordeel op de gemotoriseerde meute want door het langzamer stijgen, krijgt je lichaam meer tijd om zich aan te passen. Daar staat tegenover dat je op een fiets in dit landschap niet snel naar een veilige hoogte kunt afdalen als hoogteziekte toeslaat. Op deze tocht is hoogteziekte voor mij, naast een verkeersongeluk, het grootste risico. Het begint met onschuldige symptomen als hoofdpijn en misselijkheid maar kan razendsnel omslaan naar hersen- of longembolie. Medicijnen hebben maar een beperkt effect. De enige remedie is zo snel mogelijk afdalen. Als dat niet kan, ga je dood. En dat overkomt elk jaar nog tientallen toeristen. Ik val daarbij nog eens in de hoogste risicogroep omdat ik alleen reis. Hoogteziekte tast je logisch denkvermogen aan. Mensen worden daardoor apathisch of gaan juist verkeerde dingen doen, zoals doorklimmen met alle fatale gevolgen van dien. Een reisgenoot die het hoofd helder houdt, kan van levensbelang zijn. Maar ik heb me goed in het onderwerp verdiept, heb de juiste medicijnen bij me en heb de ervaring niet gauw last te krijgen op grote hoogte. Ik probeer zoveel mogelijk te drinken, want dat is de beste voorzorg tegen hoogteziekte. Tegelijk is water in deze bergwoestijn een schaars goed. We zullen zien.

 

De hoofdstraat van Keylong is voor een klein dorp vrij druk met voornamelijk westerse toeristen die langs de bekend Indiase kraampjes en winkeltjes slenteren. Ik heb geen zin me er in te mengen. Ik koop snel wat levensmiddelen en fiets de stilte van de bergweg tegemoet. Eerst een flinke klim om het dorp uit te komen. Verder volgt de weg een vallei die voor me uit kronkelt en waar het klimmen en dalen elkaar afwisselt zonder dat ik veel hoogte win. Er is hier weinig verkeer. Af en toe wordt ik ingehaald door een vrachtwagen en de militaire aanwezigheid wordt ook steeds beter merkbaar. Er zijn militaire konvooien en kampementen. Officieel zijn India en Pakistan nog steeds met elkaar in oorlog en met China heerst een gewapende vrede. Regelmatig wordt over de grens met Pakistan nog over en weer geschoten. Meestal zonder dat er iemand geraakt wordt. Lastig is dat de hoofdweg naar Leh vlak langs de grens (die eigenlijk een bestandslijn is) loopt. Geen veilige weg dus en om ook in tijden van oplopende spanningen Leh en de frontgebieden te kunnen bevoorraden, heeft men de weg aangelegd waar ik nu op rij. Zo zie je maar dat een oorlog nog iets leuks kan opleveren want zonder de schermutselingen tussen de twee landen had ik hier niet over de hoogste passen ter wereld kunnen fietsen.

 

Het wegdek wisselt van hobbelig asfalt tot steenslag met grote gaten en verspreid liggende rotsen. De systematiek is me niet duidelijk maar het lijkt of men op willekeurige punten begint met asfalteren tot het teer op is en met de volgende lading asfalt kilometers verderop aan een nieuw stuk te begint. Maar de ervaring heeft geleerd; probeer nooit de logica van een Indiër te doorgronden. Als mannen van Mars en vrouwen van Venus komen, komen Indiërs kennelijk van Jupiter. Zo hobbel ik in Himalaya tempo, dus heel traag, voorwaarts. Het wordt steeds stiller en ik zie soms een half uur geen auto. Alleen maar allerminst eenzaam peddel ik in een gigantisch dal met kale zonverbrande wanden voort. De vegetatie wordt dunner en bij een kleine nederzetting zie ik mijn eerste jak. Het zwarte, stoere dikbehaarde Himalaya rund. Relatief klein maar met vervaarlijk lange puntige hoorns en een onverzettelijke blik in de kraaloogjes. Koppiger dan ezels maar onmisbaar voor de nomaden die hier proberen te overleven. Overal worden ze voor gebruikt, als lastdier, voor de melk, de wol, het vlees. Op zeeniveau gaan ze dood maar in het hooggebergte zijn ze taai als leer. Ze kunnen leven op bijna niets. Een beetje mos dat ze onder de sneeuw met hun hoeven wegschrapen houdt ze in leven. En van hun uitwerpselen zijn al heel wat vuurtjes gestookt. Wonderlijk dat in een wereld waar zo weinig leven mogelijk is, alles tot het laatste gebruikt wordt in tegenstelling tot de tropen waar zo uitbundig veel is dat de meest buitenissige diersoorten kunnen overleven. Zonder jak was het leven op de Tibetaanse hoogvlakte voor mensen vrijwel onmogelijk geweest. In Manali heb ik een aardige voorraad gedroogd jakvlees ingeslagen waar ik nu nog dagelijks profijt van heb. Heerlijk zo’n taaie proteïnebron. Aparte beesten die jaks, ik heb er wel wat mee.

 

De weg stijgt weer en de begroeiing verdwijnt. Ik fiets door een morenelandschap. Grote rode rotsblokken die door een gletsjer in een ver verleden hier zijn achtergelaten. Sommigen zijn zo groot als een huis. De gletsjer is niet meer te zien. Overblijfselen uit een verre ijstijd beheersen hier het landschap. Ook hier trekken de gletsjers zich in snel tempo terug en het is de vraag hoe dat afloopt als de levensaders voor miljoenen Indiërs als de Indus en Brahmaputra opdrogen.. Dat is zorg voor generaties na mij. Zoals dat al sinds alle tijden is. We moeten ons blijven aanpassen. Voorlopig fiets ik hier als een nieuwsgierige stip door dit unieke landschap als een der weinigen en geniet van de kans die ik krijg om dit allemaal te zien te krijgen.

 

De rotsblokken wijken en voor me ligt een moddervlakte doorsneden door willekeurige stromen. Een brede rivier kolkt rechts naast me. Ik nader de nederzetting Darcha maar eerst moet ik een lange geïmproviseerde brug over. De brug is bijna een kilometer lang en bestaat uit willekeurige stukje dijk, houten getimmerte, stalen vakwerkbruggen en een soort pontons. De planken ratelen vervaarlijk als ik er overheen fiets en ik ben blij dat ik zonder kleerscheuren de overkant haal. Daar realiseer ik me dat ik vergeten ben mijn permit te laten controleren. In Manali heb ik een permit gekocht om van de weg gebruik te kunnen maken. Onderdeel daarvan is dat je op een aantal punten je permit moet laten afstempelen zodat het leger zicht houdt op wat er allemaal zich voortbeweegt op hun strategische weg. Ik moet terug de brug over en zoek bij een paar golfplaten eethuisjes of hier een legerpost te vinden is. Niets dat daar maar in de verste verte op lijkt en als ik onverrichterzake naar de brug terug fiets zie ik in een ooghoek een tent. Aan de kleur te oordelen een legertent. Ik neem poolshoogte en jawel in de tent liggen een paar militairen te dutten. Na enig nadrukkelijk gekuch mijnerzijds ontwaken ze uit hun schoonheidsslaapje en zijn zelfs bereid mij de broodnodige stempels te verschaffen. Later ben ik wel gewoon doorgefietst, maar op dat moment dacht ik nog dat ik het zonder stempels nooit zou halen.

 

Darcha is een smoezelig gehucht met dito mannen die je argwanend aankijken als je op je fietsje voorbij maalt. Er staan veel kleine paarden die als lastdier worden gebruikt op het pad naar de Zandskar vallei. Een nog niet door wegen ontsloten bewoonde vallei die ’s winters nog het best bevoorraad kan worden over de bevroren rivieren. In de zomertijd is het een dagenlange tocht over smalle paden langs ravijnen om er te komen. Ik hoop vurig ooit de gelegenheid te hebben dat eens te doen. Liefst ’s winters. Op schaatsen! Ik eet wat bij een eethuisje maar ga snel verder. Er heerst geen vriendelijke atmosfeer. De weg stijgt nu flink en ik ploeter naar boven. Al snel zie ik de brug als in Madurodam onder me liggen. De weg blijft maar stijgen en ik krijg een voorproefje van het volkomen levenloze Himalaya berglandschap. Ik passeer een militair kamp op 3700 meter. Andere menselijke bewoning is hier niet meer mogelijk en ik betreed nu het echt onbewoonbare deel van de tocht. De wereld is hier hard als in een maanlandschap met slechts minuscule begroeiing. Tegen de avond bereik ik Zingzingbar. Ik had begrepen of tenminste gehoopt dat hier een geïmproviseerd eettentje te vinden zou zijn maar er is slecht een grote plaatstalen loods. De volgende dag zou ik merken dat ik nog een paar haarspeldbochten hoger had moeten zijn maar ik rammel aan de deur van de loods die terstond opent en ik ben onmiddellijk omringd met tientallen kleine pikzwarte mannetjes. Ik ben al niet zo groot maar daar toren ik een kop boven de wegwerkers uit die in dit kamp overnachten. Het zijn mensen uit zuid-India. Verwant aan de Tamils. Een onderklasse die hierheen gehaald is om het zware werk aan de weg te verrichten. Ze spreken uiteraard geen woord Engels en het lukt me niet om duidelijkheid te krijgen over de aanwezigheid van een eettentje in de buurt. Omdat het al bijna donker wordt, besluit ik hier mijn tent op te zetten en maar wat te eten van wat ik bij me heb. Het is niet eenvoudig om hier een vlak stukje terrein te vinden voor de tent maar uiteindelijk lukt het me en met het vertrouwen dat deze Tamils niet van mensenvlees houden val ik op 4000 meter in een slaap die me morgen de energie moet geven om de eerste bijna 5000 meter-pas te overwinnen; de Baralacha-la.

 

Door: Gerard de Kam
advertenties