huisdichter Gerard: De bevriezingsdood of de gladiolen in Noorwegen

Cycloteamer Gerard schaatst de 200 km van het Norwegian Skating Festival in Lillehammer.
Door : Gerard de Kam

 

Moeizaam slippend neemt het busje de helling vanaf het ijs van het Mjosa-meer naar de straten van Lillehammer. Ik zit onder een laag dekens achterin te bibberen als een drilboor. Door een spleet tussen de dekens zie ik de besneeuwde straten van de stad voorbij glijden. Het is niet ver naar het ziekenhuis en voor ik het weet wordt ik in een rolstoel voortgeduwd door een lange gang waar lampen in de gladde vloer weerspiegelen. Trillend als een riet beland ik in een bed en krijg warme dekens over me heen. Een verpleger stopt een thermometer in mijn oor; “Thirtysix – two”.

 

Het valt wel mee die morgen met de kou op het meer bij Lillehammer. Min 10 bij een lage luchtvochtigheid is goed te verdragen. We zijn al blij dat de tocht door gaat. Gisteren is de tocht op het allerlaatste moment verplaatst naar deze plek op het immens grote Mjosa-meer. Het ijs op de geplande route was niet schaatsbaar te krijgen zodat werd uitgeweken naar dit 6,6 km baantje dat 30 keer gerond moet worden om de 200 km te voltooien. Maar ook hier zit het tegen. Een ijsvisser heeft midden op de baan een gat geboord. Door de sneeuwlaag van bijna een meter dik op het omringende ijs wordt het water omhoog gedrukt. Ik heb geprobeerd een proefrondje te schaatsen en dacht wel even om de natte plek heen te klûnen. Lopen door sneeuw waar je bij elke stap tot je kruis in zakt, blijkt al na drie stappen geen haalbare kaart. Omdat ik nogal slecht ben in opgeven, treedt op zo’n moment het brein in werking. Waarom zakken pooldieren niet tot over hun poten weg in de sneeuw? Natuurlijk; ze lopen op vier poten! Zo kruip ik weldra op mijn vier ledematen door de sneeuw. Ik voel me net een ijsbeer die zijn prooi besluipt; de schaatsen nutteloos aan de achterpoten. Na veertig meter kan ik het ijs weer op waar de waterstand wat lager is geworden. Het laagje water is echter bevroren tot een dikte van een centimeter waar ik elke steek doorheen zak zodat ik een wild inheemse dans ten beste geef om niet ten val te komen. Over een paar honderd meter doe ik een half uur en ik zie het somber in voor de dag van morgen.

 

De Noren hebben een nachtje doorgewerkt en een ruime omleiding rond het wak door de sneeuw gegraven. We kunnen dus toch vertrekken! We zijn in Scandinavië wel bekend met kleine startvelden maar de 14 deelnemers die we hier tellen maakt het evenement tot het exclusiefste waar we tot nog toe aan deel mochten nemen. Zoals gewoonlijk vrijwel allemaal Nederlanders. Het blijft een raadsel waarom er in een land met zo veel schaatsmogelijkheid zo weinig mensen warm lopen voor deze sport. De baan ligt er schitterend bij. Wel wat smal maar met uitstekend ijs. Een meter dik en weinig scheuren. Het weer werkt mee, geen wind en een niet al te koud. Prima omstandigheden en het Haarlemse garnizoen bestaande uit Jack, Kees-Jan, Jelle en uw verslaggever Gerard heeft er zin in. De organisatie moet op het laatste moment nog uitrekenen hoeveel rondjes er afgelegd moeten worden; dertig dus. Een kwartier na de officiële starttijd staan we nog steeds te wachten op het vertreksignaal en twee man vertrekken maar vast. Na een korte aarzeling ga ik in de achtervolging. Achter me valt het startschot.

 

Verdomd, die twee willen kennelijk in de eerste ronde al een gat slaan. Ze spuiten er vandoor in een onberispelijke baanslag alsof ze nog nooit van scheuren hebben gehoord. Het kost mij altijd enige tijd om goed in mijn slag te komen. Met dit beulstempo lukt dit niet en als een aangeschoten pinguïn fladder ik achter de ontsnappers aan. Puur op kracht kan ik met hangen en wurgen aansluiten als na een driekwart ronde een onverwacht obstakel opdoemt. Wat bij de start eufemistisch was omschreven als een plek waar je wat voorzichtig moest zijn, blijkt een plas van zo’n twintig meter met daarop een dun ijslaagje. We gaan fors in de ankers en springen op het maagdelijke ijs. Maar maagdelijk, het woord zegt het al, het breekt en strompelend proberen we langs de rand waar de sneeuw wel een meter hoog ligt, de andere kant van de plas te bereiken. Daar wacht ons een ijsdessert bestaande uit vastgevroren schotsen waar alleen de mensen met aanleg voor moderne dans overeind blijven. Na dit bizarre intermezzo blijken de koplopers hun snode plannen nog niet te hebben opgegeven. Nog een ronde wordt er voortgejakkerd maar ik heb inmiddels de goede slag te pakken en blijf moeiteloos bij. Achter me hoor ik het gekras van twee schaatsers. Ik durf niet om te kijken bij deze snelheid en roep vragend “Jack?”. De bekende droge kreet van Jack stelt me gerust dat hij is aangehaakt. Na de volgende klûnpauze geven de koplopers hun demarrage op en zakt het tempo.

 

De kopgroep bestaat uit vijf man die gedienstig van kop wisselen. Een aantal ronden later sluit een zesde deelnemer aan. Hij verwaardigd zich niet om mee te doen met het kopwerk en wordt herkend als één van de weinige Noorse deelnemers. Een gevaarlijke outsider want hij is hier een coryfee in het langlaufen en bovendien een stuk jonger dan de rest. De organisatie doet zijn best om met name de klûnplaats begaanbaar te maken maar de onbekendheid met het fenomeen klûnen druipt er vanaf. Pallets worden neergelegd met de planken in de gevaarlijke langsrichting. Met goede bedoelingen wordt er een dun doek over de pallets gelegd maar dit wordt binnen twee ronden aan flarden gelopen en ik blijf prompt haken en ga languit. De volgende ronde toch maar door de sneeuw naast de pallets waar ik weer mijn evenwicht verlies en languit in het water val. De damp slaat al snel van mijn benen. In deze fase wordt nog gewacht bij iedere valpartij bij de klûnplaats. Ik ben niet het enige slachtoffer. Na een rondje of tien blijven plotseling drie man achter waaronder Jack. De reden is me niet duidelijk maar later hoorde ik dat ze een plaspauze hielden. Daar had ik ook wel aan mee willen doen maar ik zie dat de Noor van de gelegenheid gebruik maakt om te demarreren. Ik ben met iemand uit Dordrecht samen en we weten niet goed wat te doen. Wachten op de anderen of achter de Noor aan. We gaan wat halfslachtig in de achtervolging in de overtuiging dat hij het in zijn eentje toch niet redt tegen vijf man. Even later sluiten de andere drie bij ons aan maar de Noor is dan al uit het zicht en dat zou zo blijven.

 

Even later krijg ik aandrang en op mij wordt natuurlijk niet te gewacht dus ik plas al uitrijdend om zo weinig mogelijk op achterstand te komen. Toch kost het me een volle ronde om terug naar de groep te schaatsen. Er zijn weinig valpartijen maar op een boos moment neemt mijn voorganger een snoekduik voorover. Ik kan niet ontwijken en ga ook tegen de vlakte. Een steek van pijn gaat door mijn scheenbeen. Tot mijn ontzetting zie ik een gat in mijn schaatsbroek die snel rood kleurt en daaronder een diepe wond. Is dat witte het bot? Ik huiver en ben er van overtuigd dat dit het eind van de tocht betekent. Op de Weissensee heb ik een keer met vijf hechtingen in mijn voorhoofd de tocht kunnen voortzetten. Maar ik denk niet dat deze service hier geboden wordt. Ik schaats achter de anderen aan naar het startpunt. Daar zie ik dat de rode vlek niet veel groter geworden is. De pijn valt mee en ik besluit door te gaan. Vervolgens heb ik de hele tocht niet meer aan het voorval gedacht. De andere betrokken schaatser moet helaas met een hersenschudding naar het ziekenhuis.

 

Het wolkendek breekt open en de zon verdrijft de grauwsluier die over het landschap hing. Het wit van de sneeuw schittert je tegemoet en de tussen de besneeuwde hellingen op de uitgestrekte witte vlakte waan je je een engel die door de schaatshemel glijdt. Maar zo ver is het nog niet want de rust van de vier tochtgenoten wordt ruw verstoord door een groepje 100 km rijders. Later gestart en met minder kilometers voor de boeg, ligt het tempo hierbij hoger. We zetten de sokken er in om bij te komen. De laatste man van het groepje schaatst met langlaufstokken. Dat doen ze hier meer. Heel vervelend en gevaarlijk als je er achter rijd want die stokken worden naar achteren afgezet en zijn scherp! Jack laat in ferme bewoordingen weten wat hij daar van denkt en geschrokken houdt de Noor zijn stokken in rust. Het zijn wat jongere, fanatieke knapen zo te zien die bij het klûnen heel wat sneller zijn dan wij. Elke keer moeten we een klûnachterstand van tientallen meters dichtrijden. Maar we leren van het goede voorbeeld en weldra draaf ik als een op hol geslagen rendier door de sneeuw.

 

Het 100 km groepje breekt in tweeën en ik zie dat Jack laat lopen. “Gaan, gaan!” roep ik en sprint naar voren net op het moment dat de veegmachine uit tegengestelde richting komt. Met twee seconden hartstilstand schiet ik er nog net voor langs en sluit aan bij de snelle mannen. Nog een 200 km rijder heeft aangeklampt. De anderen zijn gezien. Met z’n tweeën proberen we zo lang mogelijk te profiteren van het snellere tempo van de 100 km-mannen. Inmiddels zijn ook de deelnemers aan de 50 km tocht op het ijs gekomen maar van dit samengeraapte zootje ijshockeyschaats- en prikstokgebruikers hebben we meer last dan gemak. Door dit gejakker hebben we snel Jack op een ronde gereden en gelukkig heeft hij de kracht om aan te sluiten evenals de andere afvallige uit ons aanvankelijke groepje. Het begint kouder te worden. Ik denk dat het aan mezelf ligt maar de anderen bevestigen het en kleumend vervolg ik mijn weg. Gelukkig blijven mijn benen warm en het tempo blijft constant.

 

Nog één gezamenlijke plaspauze waarna een in rood schaatspak gestoken opponent het tempo fors opvoert. Ik vermoed dat hij ons er op vijf ronden voor het eind af probeert te rijden. Ik kan echter de versnelling goed volgen tot we bij de klûnplaats komen. Rennend door de sneeuw blijf ik bij maar daarna val ik door de mand op mijn zwakke punt; explosief versnellen. Hij trekt vanuit stilstand een sprint waarbij ik direct vijftig meter achterstand oploop. Achteraf gezien had ik toen moeten doorgaan maar in een zwak mentaal moment laat ik hem lopen en hij bouwt snel een kilometer voorsprong op. Door deze tussensprint zijn we de vierde man, tevens mogelijk bedreiger van Jack kwijtgeraakt en omdat er niets meer te winnen of te verliezen is, koersen we ontspannen naar de finish. Jack begint daar aan zijn laatste ronde en ik ben van plan om voor de gezelligheid dat rondje er nog maar bij te pakken.

 

Met opgestoken armen glij ik over de eindstreep. Stop even bij vriendin Hester om te zeggen dat ik het laatste ronde nog met Jack meerijd maar wordt meteen van drie kanten vastgegrepen. Ik krijg dekens over me gegooid, Hester staat boos tegen me uit te varen en een mevrouw met een rood kruis op de borst spreekt me in het Noors streng toe. Ik versta er geen hout van maar een landgenoot vertaalt dat mijn gezicht bevroren is en dat ik meteen naar het ziekenhuis moet. Ik had me deze binnenkomst wat feestelijker voorgesteld maar vooruit dan maar. Jack hebben ze “gelukkig “ niet tegen kunnen houden zodat hij zijn 200 km af kan maken. Ik heb niets van kou in mijn gezicht gevoeld maar nu ik in de bestelwagen naar het ziekenhuis rij, merk ik dat ik flink onderkoeld ben. Ik tril en klappertand als een bezetene. Dat gaat zo in het ziekenhuis nog een uurtje door tot ik opgewarmd ben. Het toedienen van een warm infuus lukt niet door mijn onderkoelde aderen. Ik ben ook nog gedehydreerd. Mijn Camelbak is maar een liter lichter geworden en dat is te weinig voor acht uur sporten. Verder kunnen ze weinig doen. Mijn neus, wangen en de helft van mijn oren zijn bevroren maar niet ernstig. De dokter denkt dat het na de vorming van blaren en vervellen wel weer goed zal komen. Vervelend is dat deze plaatsen nu voor de rest van mijn leven een zwakke plek voor bevriezing gaan vormen. Het gat in mijn scheenbeen wordt gehecht en het gebibber houdt op. Mijn gezicht is inmiddels vuurrood opgezwollen en met hamsterwangen verlaat ik het ziekenhuis.

 

Op weg naar de uitgang hoor ik vanuit een zijkamertje de bekende droge brom van Jack. Hij ligt daar op twee stoelen onder dikke dekens met dezelfde verschijnselen als ik. Even later komen Kees-Jan en Jelle keurig gedoucht en aangekleed kijken hoe het met ons gaat. De ervaringen van de dag worden kruislings door elkaar gekwetterd, zo veel hebben we beleefd. Jelle blijkt halverwege bij een val zijn ribben te hebben gekneusd en heeft dit ziekenhuis dus al eerder van binnen mogen bekijken. Alleen Kees-Jan is ongeschonden uit de ijsstrijd gekomen. Hester had opgemerkt dat de Eerste Hulp al ronden voor het einde had gezien dat we bevriezingsverschijnselen hadden. Ze probeerden ons te stoppen door te roepen en te wuiven maar zo blijkt maar hoe onbekend ze zijn met het fenomeen schaatsen. Wij hielden onze blik op het ijs, voordurend bedacht op scheuren en dachten dat we werden aangemoedigd. Voor het stoppen van een schaatser die met 25 km/uur langs komt, is drastischer ingrijpen nodig. Achteraf bleek dat de temperatuur in de loop van de dag van min 10 gedaald was naar min 20. Ondanks het zonnetje! Had ik dat geweten, dan had ik wel even gestopt om een bivakmuts en een extra laagje aan te trekken. Hier ligt wel een verbeterpuntje voor de organisatie.

 

Bij de avondmaaaltijd raakten we niet uitgepraat over deze memorabele dag. Ondanks de dramatische ontwikkelingen hebben we allemaal erg genoten. Zelfs Jelle die halverwege moest opgeven, was tevreden. Ik heb me zelf eigenlijk geen moment onprettig gevoeld op een paar seconden na toen de schaats in mijn been verdween. Sterven aan onderkoeling schijnt geen onaangename dood te zijn en nu ik het aanloopje daartoe heb meegemaakt, kan ik dat alleen maar bevestigen. De eindresultaten waren verrassend goed. Kees-Jan had zelfs zijn p.r. verbeterd naar 8.38.40 uur. Ondanks 30 keer klûnen zat ik met 7.58.57 uur maar zes minuten boven mijn beste tijd. Jack zat met 8.17.40 tussen ons in. Pechvogel Jelle had nog net voor zijn val de 100 km gereden in 4.13.52.

 

advertenties