De Trois Ballons vanuit de middenmoot

Door: Gerard de Kam
Datum: 11-06-2011

Nu zich de laatste tijd zo veel sterke fietsers bij Cycloteam aansluiten, krijgt een argeloze lezer van de tochtverslagen al gauw de indruk dat het rijden van cyclo’s louter gericht is op een plaats bij de eerste twintig. Daar achter beweegt zich echter een onafzienbaar lint van minder getalenteerden, weinig trainenden, vrouwen en vijftig-plussers (uitgezonderd Dirk Keijnemans) waar ik me noodgedwongen ook toe moet rekenen. Hierbij dus geen enerverend relaas van strijd op het scherpst van de snede maar een gezellig voortkeuveld verslag van een vrijwel naamloze werkmier uit de middenmoot.

 

De Trois Ballons; echt een naam die ontzag inboezemt. In gedachten zie ik drie gigantische als siliconenborsten opgepompte groene bergen in het landschap staan. Ik was nog nooit in de Vogezen geweest. Zelfs niet bij het naar mij genoemde Gerardmèr, een geliefde toeristenbestemming. Toen ik me een dag voor vertrek in de route ging verdiepen, bleek dat de tocht niet alleen over drie ballonnen voert maar ook de slotklim van ballonformaat is en dat er tussen de grote jongens ook nog een aantal kleinere proefballonnetjes getrotseerd moeten worden. De nacht voor vertrek probeerde ik in mijn dromen de ballonnen stiekem lek te prikken. Dat wilde maar niet lukken tot op een onverwacht moment de Grand Ballon in mijn gezicht explodeerde en mij het luchtruim in slingerde. Met een rotklap kwam ik trillend en zwetend in mijn bed terecht waar ik de rest van de nacht geen oog meer dicht heb gedaan.

 

Samen met mijn fietsvrienden Toon en Kor vertrekken we vroeg in de ochtend van de 11e juni als De Drie Musketiers met vliegend vaandel en slaande trom uit ons hotel. Één voor allen, allen voor één. Althans dat geldt meestal tot de eerste klim waar het verandert in het Hollandse “ieder voor z’n eigen”. Op de parkeerplaats stoppen we stom toevallig vlak bij twee collega’s van Kor zodat we gevijven naar de start fietsen. We zijn laat dus staan achteraan als de kudde in beweging komt. Ik heb me niet verdiept in deelnemersaantallen maar minimaal duizend zijn het er wel. De eerste hindernis doemt al snel op. Een spoorwegovergang waarbij de weg schuin het spoor kruist. De remmende en slingerende fietsers vormen een gemakkelijke prooi voor de rails en ik zie iemand naast me half vallend van zijn fiets springen. Goede kans dat zijn voorwiel hier aan een vroegtijdig eind is gekomen.

 

In colonne gaat het richting de eerste ballon waarbij we na 15 km een snelle blik werpen op de slotklim die onheilspellend stijl ergens rechts van ons opduikt; La Planche des Belles Filles geheten. Een lieflijke naam voor een beul van een helling. Maar voorlopig richten Kor en ik onze blikken op de komst van de Ballon de Servance. Toon heeft al eerde te kennen gegeven voor de korte afstand van 114 km te gaan. De klim naar de top op 1200 m voert over een smalle weg door dicht bos waar ik met enige moeite de langzaam weglopende Kor in het zicht probeer te houden. Ik kan op zich goed volgen maar zie dat mijn hartslag zich al lichtelijk boven het omslagpunt beweegt en dat is niet handig in het begin van zo’n tocht. Toch wint mijn eerzucht van mijn verstand en blijf ik kort achter Kor. Iets wat ik later nog zuur moet bekopen. We halen hier heel wat fietsers in. Een patroon dat zich herhaalt in de afdaling waar we beiden, al zeg ik het zelf, nogal goed in zijn. Gelukkig maar want de weg naar het dal is smal en hobbelig en ruim voorzien van rijdende obstakels in de vorm van fietsers.

 

De aanloop naar de volgende ballon gaat over een tweetal niet te onderschatten ballonnetjes van de derde categorie. Ik laat daar de touwtjes naar Kor vieren want ik begin te beseffen dat ik het ook deze keer weer tegen dit trainingsbeest moet afleggen. Tot mijn verrassing rij ik plotseling Cycloteamer Herman achterop. Na een gezellig “hoe gaat het” gesprekje rijden we samen omhoog. Kor zit vijftig meter achter me en is de hele klim druk in gesprek met een volstrekt onbekende deelnemer. Het schijnt dat hij als geboren Groninger zijn verblijfsvergunning is kwijtgeraakt vanwege zijn daar ongebruikelijke spraakzaamheid. Op de “sommet” treffen we de onfortuinlijke Leon die zijn superprestatie van vorige week in de Ardenaise niet zal herhalen. Een lekke tube en een onwillige anti-lek spuitbus gooien roet in het eten. Helaas kunnen we niets voor hem doen als draadbandrijders en we vervolgen onze weg.

 

Na een korte maar heerlijke afdaling waarbij ik merk dat Herman geen enkele moeite heeft met mijn tempo zetten we ons aan de klim van de grootste uitdaging van vandaag; Le Grand Ballon van 1350 meter. Herman klimt net iets sneller dan ik zelf gedaan zou hebben maar ik nestel me in zijn wiel en gezamenlijk passeren we meerdere tientallen klimmers in de lange aanloop naar de top. Maar weer komt mijn hartslag hoger dan ik me had voorgenomen. De kenmerkende oranje rugzak van Kor met de vijftien boterhammen is dan al ver uit het zicht. Het verbaast me dan ook zeer hem bij de ravitaillering op de top aan te treffen. Het kost natuurlijk wat meer tijd dan bij mij om voldoende voedsel in dat grote lijf te proppen. Na water in (en uit-)geslagen te hebben vertrek ik iets later dan Herman. Sodeju, wat daalt die gast! En met het snot voor mijn ogen weet ik aan te sluiten. Op een lang recht stuk naar beneden profiteer ik van mijn hogere gewicht (heel soms een voordeel) en passeer Herman terwijl vrijwel op hetzelfde moment een grote vent me links voorbijschiet; Kor, ik was hem even kwijt maar kennelijk na ons vertrokken. Als motorrijder en met meer dan 100 kg schoon aan de haak was het voor hem geen probleem om ons toch niet geringe daaltempo te verbeteren.

 

Een tussenbergje doemt op; de Col du Hundsruck. Echt geen hondje om zonder fietshandschoenen aan te pakken. Kor krimpt al gauw tot een stipje in de verte en Herman en ik volgen op gepaste afstand. In het begin van de klim laat ik Herman los want ik voel dat het melkzuur al een belangrijk deel van mijn spiervezels heeft platgelegd. Hij neemt afstand maar gaandeweg zie ik hem terugzakken zodat we vrijwel gelijk boven komen. We kijken elkaar aan met een blik van herkenning. We beginnen afgebrand te raken terwijl er nog 70 km met twee kanjers van ballonnen liggen te wachten. Maar het is niet anders. Eerst genieten van de afdaling waarin ik plotseling op een stijl stuk een tiental bidons op de weg zie liggen. Gelijk wordt ik zowat gelanceerd en op het moment dat ik met een klap op aarde terug kom voel ik mijn bidon tussen mijn benen door het luchtruim kiezen. Het is te stijl en te smal om te keren en de aanstormende fietsers te trotseren besef ik direct. Voor me doemt echter de gestalte van een eenzaam in de berm liggende blauwe bidon op. Ik rem af en stop het ding snel in de houder. Probleem opgelost!

 

Aan het begin van de klim naar de top van de Ballon d’Elsace is een ravitaillering ingericht. Weer treffen we daar Kor die zich al snaaiend aan het voorbereiden is op tocht naar 1200 meter hoog. We hebben niet veel praatjes meer en kort na elkaar verlaten we de pleisterplaats. Kor verdwijnt weer in het niets, deze keer definitief. Herman zie ik na elke haarspeldbocht dicht onder me volgen. Ik krijg het zwaar. De benen zitten nu echt barstensvol melkzuur en weigeren meer dan middelmatige dienst. De rollen zijn omgedraaid. Ik wordt ruimschoots meer ingehaald dan andersom en tergend langzaam verandert het ene cijfer op mijn teller in het volgende. Eigenlijk verwacht ik elk moment door Herman te worden ingehaald maar ik heb hem niet meer gezien. Of ik heb hem gemist in de tunnelvisie waarin je als oververmoeide klimmer terecht komt. Hoe dan ook, op mijn tandvlees bereik ik het hoogste punt en door de spier- en zadelpijn kan ik niet van de afdaling genieten zoals anders. Er volgt een lichtelijk golvend verbindingsstuk van enkele tientallen kilometers naar de slotklim. Op de vlakke stukken kan ik goed meedraaien in de fietsgroepjes maar zodra de weg maar iets stijgt moet ik loslaten. Dat baart me ernstige zorgen want als ik al moeite heb met deze veredelde molshopen hoe moet het dan op de laatste klim van 500 naar1200 meter hoogte met gemiddeld 10% stijging?

 

Ik kom door Champagney waar we vanmorgen vertrokken zijn. De bewoners van de Vogezen doen hun reputatie van ongezelligheid eer aan. Weinigen tonen belangstelling. Totaal anders dan de inborst van de mensen in de Ardèche waar we vorig jaar deelnamen aan de Ardèchoise. Elk dorp was versierd, overal speelden bandjes en zag je carnavalesk verklede mensen die de duizenden deelnemers onvermoeibaar aanmoedigden. Een feest om mee te maken. Een totaal andere belevenis hier. De bevolking staat met zijn rug naar het evenement terwijl het waarschijnlijk de enige reuring van betekenis is in deze ingedutte hoek van het land.

 

Het onvermijdelijke komt er aan; de helletocht naar La Planche des Belles Files. Sidderend en bevend zie ik de angstaanjagend steile aanzet in mijn ooghoek verschijnen. Maar wacht eens! Wacht hier boven misschien een plank met mooie meisjes? Zouden het (gezien mijn leeftijd) ook mooie vrouwen kunnen zijn die in verleidelijke poses op een plank hebben plaats genomen? Ieder voorzien van imposante “deux ballons”? Misschien wel de 72 beloofde maagden! En als een jihad-strijder klim ik met het mes tussen de tanden maar zonder bomgordel met hernieuwde energie naar boven. Maar wat als die 72 maagden al verdeeld zijn onder de eerstaankomenden? Verbeten probeer ik te voorkomen dat ik wordt ingehaald maar dat lukt niet helemaal op deze helling met stukken van 15%. Het verbaast me dat ik zelf af en toe nog iemand in haal. Zoals de dame die ik later terug zie op het podium waar ze geëerd wordt als winnaar in haar leeftijdscategorie. Geen concurrent voor de maagden neem ik aan, maar je weet maar nooit.

 

Zo beweeg ik mij tergend langzaam voort in een toestand die door de zuurstofopname van mijn benen onvoldoende bloed aan mijn hersenen ter beschikking stelt om nog samenhangend te kunnen denken. Toch ben ik voldoende bij zinnen om de dag te prijzen dat ik gekozen heb voor een triple op mijn nieuwe Cannondale. Een opvallend groot aantal deelnemers moet hier op de steilste stukken van de fiets af. Allen voorzien van trendy compacts zo te zien. Wellicht wordt er her en der gegniffeld achter mijn rug om de aanwezigheid van een derde voorblad op mijn fiets maar nu is het mijn beurt voor gegniffel als ik daar nog de energie voor had. Daar klotsen de stoere mannen door de berm die er vanochtend nog zo protserig bij stonden met hun 34 – 26 als kleinste verzet.

 

Bij het begin van de klim zag ik dat ik 35 minuten over had om binnen negen uur te finishen. Het was op de website van de tocht niet duidelijk of de bovengrens voor het behalen van een ‘Brevet ‘d Or’ negen of tien uur was. Later bleek het tien uur te zijn maar voor alle zekerheid richtte ik me op negen. Dat betekent 5,6 km afleggen binnen 35 minuten. Zo’n 10 km/uur gemiddeld. Klinkt makkelijk maar met benen die nog maar een schaduw zijn van zichzelf is de haalbaarheid hiervan precair. Regelmatig zie ik de teller onder de tien komen, soms zelfs rond de zeven. Nooit hebben 35 minuten langer geduurd! Nog twee minuten volgens mijn klokje voor de laatste 500 meter. Ondoenlijk lijkt me maar met de moed der wanhoop gooi ik er een sprintje uit waarbij de weg op het eind gelukkig duidelijk minder steil is. Mijn eindtijd; 8:59:47, gemiddeld 22,8 km/uur. Genoeg voor een gouden brevet!

 

Ik kijk rond of ik mijn fietsvrienden ergens zie maar als ik ze bel staan ze al op 20 km afstand bij de auto! Herman zie ik ook in geen velden of wegen maar gelukkig ontdek ik Eric om even mee na te babbelen. Hij had vier lekke banden gehad dus een greep naar het klassement zat er deze keer voor hem niet in. De gratis portie pasta gaat er daarna goed in en ik vertrek afgepeigerd doch voldaan richting auto. Nu merk ik nogmaals hoe verrekte steil de helling is. Het is er druk met auto’s en fietsers dus ik hang het hele stuk in mijn remmen en heb zowat geen onderarmen meer over als ik beneden ben. Vanaf daar is het nog 15 km vals plat naar beneden waar Kor en Toon geduldig (naar ik hoop) op me staan te wachten. Kor was in de laatste 70 km twintig minuten op me uitgelopen en Toon had het ook zwaar gehad op de laatste klim maar is ondanks zijn compact niet afgestapt.

 

Zo koersen wij de volgende dag na een goed maal en een gezonde nachtrust met tevreden gevoelens in de Voyager huiswaarts.

 

advertenties