Vijf kleine middelbare mannetjes op een grote witte zee

 

Door: Gerard de Kam
Datum: 12-02-2010

Het begint een vaste rubriek te worden. Sinds vijf jaar rijdt een vriendengroepje van leden van IJsclub Haarlem een 200 km tocht. De afgelopen jaren in Zweden en Finland, nu op de Oostenrijkse Weissensee. Maandagavondtrainer Gerard doet verslag van de lotgevallen van het vermetele vijftal.

http://www.nordicskatingcenter.nl/orsa3725.jpg

Twaalfhonderd paar scherpgeslepen schaatsen geselen het ijs. Met een oerkreet stort de menigte zich in het donker van het uitgestrekte meer. Het is zeven uur en een flauw schijnsel boven de oostelijke bergen kondigt de dageraad aan. Maar nu verstoppen de scheuren zich nog in het duister. Klaar om toe te slaan waar ze maar kunnen. Ik ben samen met Jack bij de snelle toer gestart. Dit zijn een honderdtal licentiehouders die als eersten vertrekken. Direct daarna starten de ‘gewone’ toerrijders. Het is al snel duidelijk dat de eerste groep geen haalbare kaart voor ons is. Mijn gezichtsvermogen wordt de laatste jaren wat minder in het donker en ik vind het niet verstandig om nu al met een vaartje van dik boven de 30 km/uur blind over een woud van scheuren heen te vliegen. Het is met zo veel mensen om je heen toch al moeilijk genoeg om oog op het ijs te houden. Het duurt dan ook niet lang tot een scheur me te grazen neemt. Gelukkig kom ik pijnloos in de sneeuwrand terecht, veilig voor de aanstormende menigte achter me. Ik sla de sneeuw uit mijn kleren en voeg me in de voortsnellende meute. Jack haal ik een paar kilometer verder weer bij. Hij was ook gevallen. Samen rijden we over een immens meer tussen donkere bergen naar het oosten waar de hemel snel licht begint te kleuren.

De vorige dag hadden we een verkenningsrondje gemaakt. Tot volle tevredenheid want de omstandigheden zijn haast ideaal . De weergoden hebben de wind tot kalmte gemaand en de zon opdracht gegeven om ons eens flink te verwennen. Koning winter had wel eens ergens beter ijs neergelegd, maar ondanks plaatselijk hobbelijs en de nodige scheuren verdient dit ijs een dikke voldoende. Bovendien vallen we toch al diep met onze neuzen in de boter aangezien voor het eerst sinds vijf jaar ook het grote meer in de tocht wordt opgenomen. Geen eindeloos lusjes rijden op het kleine meer maar rechttoe rechtaan 25 km over het hele meer. Dat is schaatsen zoals schaatsen bedoeld is.

Bij onze tochten in Finland en Zweden was ik de snelste van ons groepje maar Jack maakt progressie. Op de baan hou ik hem met geen mogelijkheid meer bij en ik schat in dat we op de lange afstand goed samen kunnen rijden. We spreken af om zo lang dat zinvol is, bij elkaar te blijven met als richtpunt mijn persoonlijk record van 7.54 uur. Kees-Jan, Jelle en John zijn wat minder ambitieus maar ook voor hen is een verbetering van hun snelste tijd van een jaar geleden in Finland mogelijk.

Zo maken we op deze vroege morgen onze v-vormige krassen in het blanke ijs. Nu het donker is geweken, verdwijnt het onzekere gevoel en kom ik goed in mijn slag. Ik voel me lekker en ben wie dan ook dankbaar dat ik hier in deze ijsparadijselijke omgeving met een nobele schaatsbeweging over het ijs mag zwieren. Met mijn lange slag val ik uit de toon in het groepje met prikslag rijdende schaatsers waar we in terecht zijn gekomen. Maar voorlopig voel ik me lekker bij deze slag. Elke slag is raak en krachtig. Een verademing in vergelijking met schaatsen op de baan waarbij ik eigenlijk nooit lekker in mijn slag kom omdat er na zes slagen rechtuit alweer zo’n rotbocht komt die ik na eindeloos oefenen nog steeds niet goed kan lopen. Op de baan lukt het me vrijwel nooit om terug te komen als ik de aansluiting verlies met een snel groepje maar hier schaats ik fluitend terug als ik een keer gevallen ben of heb gewacht op een gevallen Jack.

We zitten in de eerste groep van de toerrijders. Het groepje bestaat uit circa dertig schaatsers. Hiervan doet een man of zeven kopwerk waarvan wij een groot deel voor onze rekening nemen. Het tempo zit er goed in. We rijden de rondjes van 25 km in 55 minuten. Ruim onder het schema van 59. Halverwege beginnen een aantal rijders te demarreren. Ik haal ze een paar keer terug tot ik begrijp dat het rijders zijn die de honderd kilometer rijden en tegen het eind van hun tocht aan zitten. Voor het eerst begin ik vermoeidheid te voelen. Ik neem wat gas terug en er komen schaatsers op kop die ik nog niet eerder van voren gezien heb. Ik ga wat meer in de luwte hangen maar voel een begin van verzuring in mijn benen en vraag me af of ik dit tempo wel tot het eind kan houden. Jack heeft het moeilijker. Hij valt vaak en krijgt bij één van de valpartijen een elleboog in zijn buik wat erg pijnlijk is. Hij moet plassen waar hij zelfs langer over doet dan een oude man als ik. In zijn gezicht zie ik de verbeten pijn. Onze groep zijn we kwijt en ik stel voor om met een rustiger tempo door te gaan en ons doel bij te stellen in binnen de acht uur finishen. Zo rijden we een ronde verder tot hij aangeeft dat het te hard gaat. Ik matig de snelheid maar bij een verzorgingspost waar we een soepje drinken, besluit hij dat het zo niet langer gaat en vraagt me door te rijden.

Nog anderhalve ronde en ik zet de schaatspas er flink in. Als ik mijn best doe is een verbetering van mijn persoonlijk record nog mogelijk. Bovendien schat ik dat ik nog wel bij de eerste vijftig van de toerrijders rij wat best een leuke klassering is. Bij de bocht op het kleine meer slaat de schrik me om het hart. Ik zie dat er een vreselijk grote groep slechts honderd meter achter me zit. Wel een man of zestig hijgen me in mijn nek. Omdat ik vooraan ben gestart zijn het waarschijnlijk allemaal toerrijders die een paar minuten achter me zijn gestart dus als ik in die groep terecht kom, ben ik automatisch qua tijd laatste. Ik zet nog eens extra aan en nader de eindstreep die voor mij de laatste ronde inluidt. “Daar finisht Gerard Murre uit Haarlem in een tijd van . . . . .” schalt uit de luidsprekers. Met mijn blik op oneindig en mijn hersens op nul ben ik meteen bij de les. Wat is dat nou weer? Heb ik me verteld? Ik kijk op mijn horloge en zie dat ik echt nog een ronde moet rijden. Vergissing van de speaker, kan gebeuren maar heeft tot gevolg dat door mijn aarzeling de grote groep nu echt vlak achter me zit. Ik kan het dreigende geschraap van tientallen messen op het ijs al horen. Ik geef me gewonnen en laat me in de groep opnemen. Dat rijdt ineens erg makkelijk zo in de luwte van een grote groep. Er wordt niet kop over kop gereden, maar één grote kerel rijdt op kop. Hij staat vrijwel rechtop en houdt in zijn eentje zo’n man of zestig uit de wind. Dat schijnt hij al vele ronden te doen en er wordt opgeroepen om niet te demarreren nu ze zo lang van hem geprofiteerd hebben. Ik werp tegen dat dit niet voor mij geldt omdat ik nog maar net in de groep zit maar dat wordt niet in dank afgenomen. Ik besluit me maar solidair op te stellen. Kom ik ook eens een keertje lekker uitgerust over de finish. Er zat echter een addertje onder het ijs want een kilometer voor de eindstreep kom ik ten val. Wat gebeurde er? Twee schaatsers voor me raken elkaar en er ontstaat een ruzie op niks af. Er worden duwen uitgedeeld en ik maan de korte lontjes tot orde. Daarbij verslapt mijn blik op het ijs en jawel, een scheur grijpt mijn ijzer en daar lig ik. Heel de meute komt over me heen en toen ik opgekrabbeld was moest ik binnen een paar honderd meter een achterstand van honderd meter dichtrijden. Als een kat gooi ik me naar voren en toen ik onder het dundoek door reed, had ik de halve groep al weer ingehaald. Een tijd van 7.53 uur. Één minuutje sneller dan mijn beste tijd daarvoor. Geinig dat dit nog gelukt was ondanks het oponthoud. Bij de verzorgingspost achter de finish tref ik Kees-Jan, Jelle en John. Ze hebben nog een ronde te gaan en zien er nog monter uit. Dus dat zal wel lukken. Zo sta ik nog wat te schransen van alle lekkers dat de ravitailleringspost voorhanden heeft en plots staat Jack vóór me. Hij had een pijnstiller bij zich en na deze ingenomen te hebben, kon hij weer op goed tempo doorrijden. Hij arriveerde precies in de tot doel gestelde tijd van acht uur.

Mijn benen zijn na tien minuten rust al dermate verstijfd dat ik niet meer kan bukken en iemand moet vragen om mijn schaatsen los te maken. Zo strompelen we naar de grote tent van deze uitstekend georganiseerde tocht en vieren de goede afloop met een pint bier en een grote braadworst. Honderden mensen om je heen maakt het misschien wel gezellig maar het hoempa hoempa sfeertje doet me terug verlangen naar onze Scandinavische tochten met hooguit 30 deelnemers. Snel terug naar het meer want onze vrienden komen er aan. Terwijl wij naar ze uitkijken blijken ze achter ons op een bankje hun schaatsen uit te trekken. Dat was een vlot laatste http://img.metro.co.uk/i/pix/2007/12/ColdCalendarIRVING_450x300.jpgrondje. In ruim negen uur zijn ze binnen. Na een uitgebreide uitwisseling van lofprijzingen en schouderklopjes vieren we de resultaten met een paar flinke pullen Oostenrijks bier. Dat wordt ’s avonds in het hotel voorgezet bij een copieuze herstelmaaltijd. Alle gebeurtenissen tijdens de tocht passeren op lichtelijk uitvergrootte wijze de revue. Bij gebrek aan zware omstandigheden en tegenslagen wordt het kleine leed van valpartijen en spierpijn maar eens flink aangezet. Van dit pleziertochtje bij ideale omstandigheden was geen heroïsche slijtageslag te maken. Van mijn negen 200 km tochten was dit wel de allermakkelijkste. Alleen Jack had dank zij een val een tijdje mogen afzien. Als het zo doorgaat mogen ze er van mij wel 300 km van maken. Met weemoed denk ik aan 4 januari 1997 waarbij de zwaarste beproeving na de eindstreep lag; op mijn kapotte voeten op sokken naar de bus en vervolgens naar de Frieslandhal lopen over diepvriesbestrating. Dat was nog eens afzien. Of 2006 in Finland waar ik veertig keer viel op een besneeuwde baan bij min twintig. Zo werden de verhalen steeds drastischer tot we ons na het hors d’oeuvre realiseerden dat we een man misten. Waar blijft Jelle toch? Het verlossende woord (letterlijk) kwam al gauw toen de charmante hoteleigenaresse (zie foto) kwam vragen of iemand van ons Jelle kon bevrijden uit de hotelkamer. Hij zat nog op de wc toen we de kamer afsloten. Best grappig maar het werd echt hilarisch toen ik de wanhopig smsjes en voicemails afdraaide waarmee de opgesloten Jelle ons had proberen te bereiken. Zo liep een succesvol weekend ten einde waarin vijf mannen op een leeftijd waarop de conditie een dalende lijn inzet voor zichzelf bewezen dat ze nog best meekunnen. De Weissensee elfstedenkruisjes, hoe surrogaat ze ook mogen zijn, werden thuis met verholen trots quasi onverschillig aan moeder de vrouw en kinderen getoond. Ja, een man doet rare dingen voor zijn behoefte aan erkenning.

advertenties