Joop Zoetemelk Classic 2010

Een groen hart . . . . vol modder en drek

 

Door: Gerard de Kam

 

AfbeeldingStinkend als een beerput en smerig als een mijnwerker arriveer ik hondsmoe bij het clubhuis van het Leidense Swift. De wielervereniging waar onze ex-tour-de-France grootheid en wereldkampioen Joop Zoetemelk al heel zijn fietsleven lid van is. De 62-jarige gewezen vedette staat schoongeboend te glunderen van alle aandacht op het podium. Hij heeft vandaag dan ook maar de helft van mijn 150 km afgelegd in de niet geheel toevallig naar hem genoemde Joop Zoetemelk Classic, een toertocht die mij op 20 maart 2010 vanuit Leiden door het groene hart van Zuid Holland heeft geleid. Een aanzienlijke groep mannen waarvan ik hoop dat ze er iets ouder uitzien dan ik zit rond de oude maestro en beantwoordt vragen van wielerjournalist Fred van Slogteren. Uit de antwoorden af te leiden zijn het louter oud renners maar aangezien ik in de gloriejaren van Joop een mislukte poging deed om hippie te worden ging bij geen van de namen en rugnummers een schemerig lampje branden. Van racefietsers moest ik toen niets hebben, alleen al hun korte haar maakte hen tot een te mijden diersoort. Alhoewel ik moet zeggen dat ik toendertijd ook als een dolle op de fiets te keer ging om de veertig dagelijkse kilometers naar school en terug zo snel mogelijk af te raffelen. Altijd alleen want mijn dorpsgenoten fietsten me te langzaam. Maar dat terzijde want ik sta nu in Leiden te staren naar een jonge Franse dame, het aanzien wel waard, die vrouw of vriendin blijkt te zijn van Joop. Kennelijk kan een vroegere toerzege, hoe lang ook geleden, de harten van de Françaises nog steeds doen smelten en leeftijdsverschillen doen wegvallen. Had ik in de sixties misschien beter profrenner kunnen worden dan popfestivals afstruinen? Ik zal het nooit weten. In mijn rol als moddergod zal ik in ieder geval weinig vrouwen weten te bekoren hoewel later een dame die haar raampje opendraaide toen ik mijn fiets stond in te laden zich liet ontvallen dat ik er zo wel erg stoer uitzag. Zo heb een groot nadeel ook nog zijn kleine voordeeltje. Binnen zes uur ben ik herschapen van een blakende vijftiger in schoon uit de mottenballen gehaalde fietskledij in een vies, vuil slijmerig stinkend schepsel. Ik wist niet dat de landweggetjes die er vorig jaar nog zo pittoresk bij lagen in de zonneschijn zo veel modder en koeiendrek konden verbergen. Het groene hart? Zeg maar gerust het grijze hart. De lucht, de wegen, het land, de bomen, de huizen. Alles was gehuld in een grijze grauwe deken alsof we in het Oost Duitsland van kameraad Honnecker verdwaald waren. Van begin tot eind joegen grijze wolfachtige wolken langs het firmament en storten hun kliemerige lading over ons heen. Weerloze fietsertjes die langzaam in doordrenkte fietsvluchtelingen veranderden. Ook Maarten, Kor, Joost, Kees en Toon hadden helaas de moed niet kunnen opbrengen om vanuit de warme sponde ’s ochtends vroeg de tocht af te bellen dus als gijzelaars van onze afspraak verschenen we allen kleumend aan de start in de sleutelstad. Ik had als gevolg van de gladheid en de kou al drie maanden niet op een fiets gezeten. Wel veel geschaatst als keerzijde maar dat is toch minder bevorderlijk voor de cardio dan fietsen. Ik begon meteen overmoedig met kopwerk maar merkte als spoedig dat die heldenrol vandaag niet voor mij was weggelegd. Het was boerenzoon Kor die de hele winter had doorgefietst en gesport die de zweep over de groep legde. Toon wapperde er af even later gevolgd door Kees en Joost. Kennelijk door stukjes af te snijden wist Toon toch een paar keer op listige wijze terug te komen. Maar na de eerste bevoorrading bleven Kor, Maarten en ik over. Boven de veertig joegen we over de polderdijkjes met wind mee maar toen we vanaf de Utrechtse grens terug moesten keerden de kansen. De wind kwam pal van voren en afwisselend kropen Maarten en ik zo dicht mogelijk achter de gelukkig brede rug van de gelukkig boomlange Kor om in het wiel te kunnen blijven. Maar er waren kapers op de kust om ons dit geliefkoosde plekje af te troggelen. Een groepje roeiers zoals ze vertelden, jonge gasten verdrongen ons met ballerig elan en wij kwamen op het kantje te rijden. Dat hield ik niet lang vol en na het elastiek steeds langer te hebben zien worden, moest ik definitief de pijp aan Maarten geven. Dat kwam goed uit want juist op dat moment kwam Maarten me achterop. Hij was al eerder gelost zonder dat ik het gemerkt had. Gelukkig kneep Kor even verder in zijn titanium remmen om deze zwakkelingen weer onder zijn vleugels te nemen. Ik voelde mijn krachten zienderogen afnemen. Mijn hartslag wilde niet meer boven de 160 en mijn benen voelden als kauwgum. Vreemd genoeg verzuurde ik niet, maar heel langzaam ging het vuurtje gewoon steeds lager branden. Af en toe viel er een gaatje wat ik met het weinige dat nog in mij was probeerde dicht te rijden. Het was toen dat ik al minder goed ging zien. De wereld om me heen draaide, schokte heen en weer, hulde zich in wazen. Voor mij een bekend verschijnsel als ik de laatste stadia van uitputting bereik. Het lijkt of mijn hersens te weinig zuurstof krijgen omdat alles naar mijn benen gaat. Denken gaat dan ook nauwelijks meer. Zo zwalkte ik als een zombie door het druilerige land tot ik bij een uiterste poging om bij te blijven iets te lang met mijn hoofd omlaag fietste. Op het moment dat ik op kijk, zit ik al vrijwel op het zadel van een fietser vóór me. Ik knijp in alles dat rem heet. Vlieg over mijn stuur tegen de rug van de arme drommel die gezamenlijk met mij ter aarde stort. Ik krabbel snel overeind maar het niet meer zo jonge slachtoffer ligt met van pijn vertrokken gezicht op de weg. Gelukkig herpakt de dappere man zich, weert mijn duizend excuses af en wil zelfs geen vergoeding voor zijn kapotte regenbroek. Ik heb hem ’s avonds nog opgebeld en het ging gelukkig weer redelijk goed met hem.

Voort ging het weer tot het afscheid van Kor die de rit niet afmaakte maar richting huis fietste. Gelukkig vonden Maarten en ik een andere rug. Minder breed maar het kon er mee door. Zo bereikten we, wat mij betreft op mijn wenkbrauwen, de voorsteden van Leiden. De routeuitzetter van Swift meent waarlijk dat wij als afgepeigerde fietsers nog heel graag een groot deel van Leidens nieuwbouwwijken willen bewonderen. Het hield niet op; links af, rechts af, weer een nieuwbouwstraat, weer één. De ene nog lelijker dan de andere. En dat was nog wel te verdragen geweest, ware het niet dat de bodem van de tank nu echt in zicht was. Ik moest lossen bij Maarten en nog een paar gasten. Inmiddels was mijn zicht op de werkelijkheid als hiervoor beschreven dermate vertroebeld dat ik onmogelijk de minuscule Swift-pijljes kon ontdekken. Met de moed der wanhoop probeerde ik het groepje Maarten in zicht te houden anders zou ik nooit ter bestemde plaatse komen. De voorzienigheid was met me want net toen ik ze definitief uit het oog verloren had en als een dolende dronkaard op goed geluk doorfietste, stond ik plotseling voor het clubhuis van Swift. De verlossing was daar! Achteraf bleek ik een stuk te hebben afgesneden zodat ik de finish gemist had. Het zij zo. Het (teller)gemiddelde van 31,5 km/h viel me alles mee. Even later druppelden Maarten, die wel goed was gereden en nog later Toon, die er nog redelijk monter uit zag, binnen. We vormden met afstand het meest bemodderde trio van de zaal. Kennelijk hadden de andere deelnemers een schoner spoor gevonden of ze hadden zich al wat opgefrist. Kan ook. Hoewel twee van ons van behoorlijk goede komaf zijn (ik dus niet) zaten we ongegeneerd als een stel smerige schaftende gierknechten een broodje bal naar binnen te werken. Alle vernis en decorum was verdwenen. Een stelletje wilden had deze tocht van ons gemaakt. Een zootje neanderthalers die met hun modderpoten een stuk vlees naar binnen propten. Net als de eerste prehistorische bewoners van dit moerasland. Nog vóór het fietswiel was uitgevonden.

 

 

 

advertenties