Huisdichter Gerard op reis: De Rothang pas; in negen uur van de tropen naar de pool

Door: Gerard de Kam

 

De Rothang pas; in negen uur van de tropen naar de pool

 

De stalletjes waar Indiërs bontjassen huren om het boven op de berg niet koud te krijgen, zijn nog dicht. Het is schemerig en flarden ochtendmist hangen boven de snel jagende stroom naast me. Ik laveer rond diepe modderputten op de gehavende weg die vanuit Manali naar de Rothang pas leidt; 2000 meter hoger dan waar ik nu ben. Gisteren stond ik nog tussen de bananenbomen in het authentieke dorp Old Manali, duizend keer mooier dan het aangrenzende hectische en met smerige hotels volgeplempte Manali. De bananenbomen en palmen zal ik voorlopig niet meer zien. Hier begint de eerste bergrug van de Himalaya. De eerste rimpel in de aardkorst tussen het tegen elkaar aan schurkende Indische en Aziatische continent. Vanmorgen ben ik om half zes vertrokken uit het knusse hotelletje dat door Nederlandse Marjan en haar Indiase vriend gerund wordt. Straatverlichting is nog niet tot het middeleeuwse dorpje doorgedrongen dus ik moest wachten op het licht kleuren van de hemel boven de oostelijke bergen. Uren heb ik wakker gelegen. Misschien uit spanning voor het avontuur dat me te wachten staat. Misschien het bekende slecht slapen op grote hoogte hoewel Manali pas op 2000 meter ligt. Hoe dan ook, ik fiets hier. Frank en vrij op een verlaten bergweg die me 500 km verder in Leh moet brengen. De noordelijkste Indiase stad, dicht bij de grens met Tibet. Heerlijk alleen en op mezelf aangewezen. Niet meer afhankelijk van anderen zoals de taxichauffeur die me met fiets en bagage van Delhi naar Manali bracht. Een rit van twintig uur die hij vrijwel in één ruk door reed zonder te slapen. Op een kort hazenslaapje na waar ik hem met een noodkreet uit moest wekken toen hij recht op een aandenderende vrachtwagen aan reed. Met een last second slinger aan zijn stuurwiel wist hij de felbeschilderde mastodont nog net te ontwijken. Anders had ik nu ergens op een wolk gefietst met Petrus en de discipelen.

 

Ongemerkt verlaat ik de tropen en fiets de Alpen in. Althans zo ziet het er uit. Dennenbomen en grazige weiden. Op deze klim zal ik alle klimaatzones passeren. Van tropisch tot poolklimaat. De vochtige warme winden vanuit de Indische Oceaan worden hier naar boven gedrukt en verliezen daarbij hun regenvracht. Overal kabbelen beekjes die zich aaneen smeden tot een snelstromende rivier waar ik best wel eens met een raft op tekeer zou willen gaan. Voorlopig is het droog. Alleen de weg is erg modderig van een pasgevallen regenbui en de onregelmatig geasfalteerde stukken worden steeds schaarser. Daarbuiten is het slalom rijden rond diepe gaten en afgebrokkelde rotsstukken. Door de vele regen raken bergwanden instabiel en regelmatig schuift er een heel stuk weg de diepte in of wordt de weg versperd door de resten van één van de fameuze landslides. Dit is me zes jaar geleden overkomen toen ik Leh per motor probeerde te bereiken. Vergeefs dus. Met de fiets maak ik meer kans. Desnoods draag ik de fiets met bagage over de landslide heen.

 

Met het krieken van de dag begint de weg tot leven te komen. Veel terreinwagen-taxi’s met Indiase toeristen die voor het eerst van hun leven sneeuw willen zien en voelen. Een enkele gammele bus met over het algemeen Europese rugzaktoeristen die op weg zijn naar het boeddhistische Leh. Als ik bij een theestalletje stop wordt ik omringd door ongelovig kijkende westerlingen die er niet bij kunnen dat iemand in zijn eentje op een fiets een tocht door een verlaten gebied over de hoogste passen ter wereld gaat maken. Ondanks mijn slakkentempo zal ik de bus later nog een paar keer inhalen. Een fiets passeert obstakels nu eenmaal makkelijker dan een grote bus. De weg is niet stijl. Ik schat zo’n 5%. Bewust zo aangelegd omdat anders de Indiase TaTa vrachtwagens met hun vijftigerjaren motoren er niet tegenop komen. Toch kom ik hier niet boven de tien km/uur. De twintig kilo bagage, de snel ijler wordende lucht en niet te vergeten de slechte weg drukken het tempo tot dat van een sukkeldrafje. Eerst heb je het niet zo door maar boven de 3000 meter wordt het echt wel duidelijk dat mijn ogenschijnlijk gespierde benen hier niet veel meer in te brengen hebben. Je kunt wel willen maar er komt gewoon geen kracht uit. Er zit nog maar de helft of minder zuurstof in de lucht die je inademt en de spieren krijgen gewoon te weinig van dit essentiële element om nog goed te kunnen functioneren.

 

De zon breekt af en toe door de laag hangende wolken en ik geniet van de groene alpenweiden met bloemen en koeien die er net iets anders uitzien dan in Oostenrijk. Gek genoeg lijken de boerderijen die op de schaarse vlakke stukken gebouwd zijn veel op die in de Alpenlanden. Alleen wat afgeleefder en armoediger. Typisch dat een zelfde omgeving en bouwmateriaal een zelfde architectuur opleveren. Al staan ze dan zowat aan de andere kant van de wereld. De wolken gaan over in mist. Ik zit nu letterlijk in de wolken en moet extra oppassen met de Indiase manier van autorijden. Ze wijken hier echt niet uit voor een fietser, gewend als ze zijn dat die wel voor hen uitwijkt. Bij elke auto die ik achter me hoor duik ik voor zover aanwezig de berm in. Dan wel ga aan het randje van de weg rijden. Wat niet altijd prettig is als zich een handbreedte van je wiel een honderden meters diepe afgrond bevindt. Maar dat is maar op een paar plaatsen het geval en gelukkig kom ik niet in contact met de vehikels waarvan velen hier de APK niet zouden overleven. Ik had al wat auto’s met slippende wielen zien stilstaan in de modder maar op een bepaald punt was er bijna geen doorkomen aan. Een merkwaardig en niet geheel goed doordacht trekje van de Indiase chauffeurs is dat ze de wachtende file rechts (hier rijdt men links) gaan inhalen zodat er van twee kanten een dubbele rij auto’s staat vóór de plaats waar de bus in de modder vast zit. De weg is zo smal dat ik niet rijdend tussen de auto’s door kan en half boven de afgrond hangend met mijn fiets aan de hand langs de file moet zien te komen.

 

Met veel moeite en doodsverachting bereik ik de plaats des onheils waar de bus zojuist door een menigte uit de zuigende modder is geduwd. In onze geciviliseerde landen zou nu het leed geleden zijn, maar hier niet. De bus kan pas verder nadat eerst een kilometer aan dubbelstaande auto’s achteruit is gereden zodat de bus er langs kan. Dat heeft waarschijnlijk uren geduurd want ik ben tegelijk boven aan de pas met de bus met de bewonderende dan wel mij voor gek verklarende toeristen die ik eerder had ontmoet. Ik heb negen uur gedaan over een klim van tweeduizend meter. De 1300 meter van de Alpe d’Huez deed ik in een uur op de racefiets. Maar dit is toch wel een driedubbele wereld van verschil. Moe ben ik nog niet. Door het zuurstofgebrek rij je eigenlijk steeds op halve kracht zodat je niet zo snel moe wordt als bij een klim op zeeniveau. Althans dat is mijn theorie. Ik begin alleen wat last te krijgen van mijn achtersteven die een beetje uitgekeken begint te raken op het fysieke contact met mijn nieuwe Specialized-zadel.

 

Boven op de pas ontvouwt zich een tamelijk troosteloos tafereel van uit zijldoek en gestapelde stenen opgetrokken theehuisjes. Indiase toeristen die er lichtelijk ridicuul uitzien in hun gehuurde bontmantels stappen gewichtig in het rond. Ik maak een praatje met twee vrolijke Indiërs die met me op de foto willen bij het bord dat het hoogste punt aanduidt. Ik blijf niet lang hangen want het is er vochtig koud en door de mist valt er van geen uitzicht te genieten. Bovendien wil ik vóór het donker in het volgende dorp komen. Moet kunnen met een weg die voornamelijk bestaat uit meer dan duizend meter afdalen. Ik verheug me er al op naar beneden te suizen. Als enige van de vele bezoekers van de pas rij ik het volgend dal in. De toeristen gaan allemaal terug naar Manali. Ik ben alleen en kijk in een onmetelijke diepte van een heel ander dal van waar ik vandaan kom. Geen bomen, weinig groen. Dit is de droge kant van de bergketen en een voorproefje van de bergwoestijn die me te wachten staat. Het naar beneden suizen kan ik vergeten. De weg is hoewel niet modderig, veel slechter dan die aan de andere kant van de pas. Hoewel ik voorvering heb op mijn tot trekkingfiets omgebouwde Cannondale mountainbike is het niet te doen om met volle bagage dwars door de vele gaten te stuiteren. Dat zou mijn materiaal niet overleven. Dus ik stuur zo zorgvuldig mogelijk om de kuilen en rotsen heen. Niet zorgvuldig genoeg want ik raak met een voortas een rotsblok en de tassteun breekt af. Ik repareer het provisorisch met tape en ijzerdraad en daal met dubbele voorzichtigheid af. Hier zijn geen fietsenwinkels op iedere straathoek. In feite kom ik de hele afdaling geen levend wezen tegen. Alleen twee vale gieren scheren op honderd meter voor me langs. Een prachtig gezicht die grote vliegende deuren. Ze hebben pech want ik kom ongedeerd in het dal terecht waar weer tekenen van leven en bewoning zijn.

 

De afdaling heeft veel tijd gekost en het loopt al tegen de avond als ik de sokken er in zet om het dorp te bereiken. De weg is geasfalteerd en gaat op en neer langs een snelstromende rivier. Bij een zijriviertje sta ik te aarzelen of ik fietsend door het kniehoge water ga met risico op omvallen en alles nat maken, of op zeker te gaan en fiets en bagage over te dragen. Tot er een kleine vrachtauto naast me stopt en drie tanige mannetjes met Tibetaanse trekken mijn fiets met bagage ongevraagd in de auto hijsen en ik de laatste tien kilometer in een hotsende auto over een slechte weg naar het dorp rij. Geheel tegen de Indiase gewoonte om overal een slaatje uit te slaan, weigeren de mannen een kleine beloning. Een eerste teken dat ik van de Hindoeïstische in de Boedistische cultuur terecht ben gekomen. Ze en zetten me af bij een restaurantje waar ik noedels eet en thee drink alvorens een voor dit land wonderlijk schone kamer te huren in een hotelletje waar ik met mijn fiets en stoffige tassen naast me in een diepe en welverdiende slaap val.

 

advertenties