Wandelvakantie Hardangervidda Noorwegen die toch weer uitdraait op fietsen

Wandelvakantie Hardangervidda Noorwegen die toch weer uitdraait op fietsen

Door: Gerard de Kam

Altijd en eeuwig fietsen gaat vervelen dus tijd voor een nieuwe uitdaging: wandelen. Met vriendin, dochter en haar vriend op naar Noorwegen om daar op de ongerepte Hardangervidda kennis te maken met een heel andere wijze van voortbewegen dan het ronddraaien der trappers. De Hardangervidda heeft de naam een hoogvlakte te zijn die in mijn ogen met 1000 tot 1500 meter niet hoog is en zo heb ik ervaren, al helemaal niet vlak is. Door de noordelijke ligging heerst echter op deze geringe hoogte al een arctisch klimaat met begroeiing die nauwlijks boven de neus van je schoen uitkomt. Her en der ligt nog ongesmolten sneeuw en overal lopen ijskoude beekjes naar lager gelegen delen. Het gebied wordt gedomineerd door een gletsjer zo groot als Flevoland die als een slagroomtoef midden op de hoogvlakte ligt en naar alle kanten gletsjertongen uitsteekt naar degeen die hem benadert.

Het voordeel van deze wandellocatie is de bereikbaarheid. Als je ’s morgens het vliegtuig neemt, kun je als het meezit aan het eind van de middag al midden in het gebied de trein uitstappen. Niet op een station maar bij de halte Hallingskeid waar men niet eens de moeite heeft gedaan een perron aan te leggen. Vlak bij is een hut van de Norske Turistforening die gebaseerd is op een formule die in Nederland onmogelijk zou zijn. Alles is aanwezig; een bed met dekens, brandhout, proviand. Wat je nodig hebt, neem je en je houdt zelf een lijstje bij met de kosten die je bij vertrek voldoet in de gleuf van een brandkast. Er is geen toezicht. Alleen in de winter zijn de hutten bereikbaar per sneeuwscooter en worden ze bevoorraad. Voordeel is dat je niet veel hoeft mee te nemen in je rugzak.

Zo trokken vier nietige stipjes een eindeloze woestenij in. Het was 25 km tot de volgende hut. Of wel zeven uur lopen volgens de kaart. Het “nordic walking” gaat kennelijk heel wat sneller dan het Hollandse kuieren want wij deden er 11 uur over. Allerlei lichaamsdelen die dit niet gewend waren gingen tegen het eind van de tocht protesteren zodat er de laatste twee uur flink werd afgezien. Er is geen pad. De richting wordt aangegeven door stapeltjes stenen; zogenaamde steenmannetjes. Als het gaat sneeuwen, wat tegen het eind van de zomer niet denkbeeldig is, wordt het moeilijk om je te oriënteren. Bijna nergens kun je je voet neerzetten zonder te kijken. Het is een constant geklauter over stenen, door water en modder. Je komt het hele stuk niemand tegen. Je weet dat je door moet gaan. Er is geen huis, geen weg, geen mobiel bereik. Alleen water en steen. Tegelijk is het landschap van een dreigende schoonheid die je niet vaak aantreft. De rotsen rondgeslepen door gletsjers, de vegetatie piepklein maar zeer gevarieerd. Allerlei mossen strooien de rotsen met een kleurig palet. Water kabbelt overal. Snelstromende beken en watervallen jagen door het landschap. Dit alles overdekt met Willink-achtige luchten heeft iets sinisters. Op een enkele vogel na zie je niets van leven en je beseft instinctief dat je in dit gebied niet lang kunt overleven en dat je moet maken dat je hier weg komt.

 

De Rembesdalseter hut die we uiteindelijk hinkend en kreunend bereikten bestond uit twee gebouwtjes waar we er één van voor ons zelf hadden. Meteen kacheltje opgestookt, soep gemaakt, een maaltijd opgewarmd en een uurtje later zaten we voldaan aan de koffie met cognac. Lekker warm terwijl de wind om de hut gierde. We besloten de volgende dag een rustdag te nemen om onze wonden te likken en bij te komen van de ontberingen. Een wandelingetje naar een gletsjer die op het zicht vlak bij lag, ontaarde in een klim- en klauterpartij van een uur of twee. Maar dat was het helemaal waard. Als een fonkelend fort tekenden ijstorens zich af tegen het blauw van de lucht. Onder uit de ijsmassa spoten fontijnen en watervallen alle kanten op. Grotten en spleten van blauwe edelsteen liepen tot diep onder het ijs. We konden het niet laten om even een grot in te gaan. Een prachtige blauwe wereld waar het licht door meters ijs heen dringt. Ik ben wel eerder met een gids onder een gletsjer geweest, maar dit exemplaar maakte een minder vriendelijke indruk. Dat bleek al snel. Toen we terug liepen viel er een blok ijs zo groot als een huiskamer op de plek waar we net gestaan hadden.

Door de ervaringen van de eerste dag wijs geworden besloten we om ons plan van vijf lange dagetappes te laten varen en naar de bewoonde wereld terug te keren. Die route was weer 25 km lang maar door veel makkelijker terrein. We liepen nu vlak langs het grote gletsjergebied en een koude wind joeg vanaf de ijsvlakte onze richting op. De ondergrond bestond voor een groot deel uit een gladgeslepen rotsvloer waarop we snel vorderden. Veel minder losse rotsblokken hier zodat het moeilijk was om een luw plekje te vinden voor de lunch. We jakkerden voort als opgejaagde hobbits door een decor dat vaak deed denken aan The Lord of the Rings. Onderwijl genietend met elke verkleumde vezel van de buitenaardse schoonheid van het landschap. Ik kan me voorstellen dat het er op de maan net zo uitziet. We passeerden een kilometerslange gletsjer die zijn ijs in een meer brokkelde. Gelukkig was er een wiebelige hangbrug over de bulderende beek die het water uit het meer afvoert. Elders was het van steen op steen springen om droogsvoets over te steken. Het als Hollands kind veel beoefende dammetjes bouwen hielp om de kans op een nat pak te verkleinen. De dames wachtten geduldig tot de dijk klaar was. In de afdaling moesten we stijle sneeuwvelden oversteken. Een stap verkeerd of we waren een rotsveld of een ijsmeer in gegleden.

Asgrauwe wolken pakten zich samen en de laatste twee uur liepen we door een ijskoude regen de beschaving tegemoet. Eindelijk bereikten we de hut in een klein trekkersdorpje. Omringd door alle comfort maar ook door luidruchtige scholieren met mobieltjes moest ik toch wel met heimwee terugdenken aan het hutje in de eenzame eindeloosheid van de hoogvlakte. Onderweg besefte ik al hoe veel langzamer wandelen is dan fietsen. Een berg die dicht bij lijkt, blijkt toch op twee uur lopen te liggen. Op een fiets was je er zo geweest. De eerste tocht was niet geschikt om te fietsen, maar op het parcours van de tweede tocht had je op driekwart van de afstand kunnen mountainbiken. Nu wil het toeval dat ze fietsen verhuurden in Finse, het dorp waar we waren neergestreken. We besloten de laatste dag van ons vertrouwde vervoermiddel gebruik te gaan maken en stuurden langs een onverhard pad 50 km naar Flam, een touristenplaatsje aan een fjord. Goed te doen want het was afdalen van 1300 meter naar zeeniveau. Het laatste stuk wel erg stijl over een pad dat voornamelijk uit stenen zo groot als voetballen bestond. Zonder vering is dat extra spannend. Helaas verhuurden ze geen helmen zodat we ons geen al te gekke capriolen konden permiteren. De fietsen konden we op het eindpunt inleveren en terug ging het met een trein vol touristen over de stijlste spoorweg van Europa naar het plateau. We konden nu goed om ons heen kijken en de rit was adembenemend mooi. Overal stijle wanden, watervallen, bossen, prachtig.

Niet mijn eerste maar wel mijn meest intensieve ervaring met wandelen. De vraag is nu of dit een alternatief is voor fietsen. Ik kom langzamerhand op een wandelgerechtigde leeftijd maar eerlijk gezegd bevalt fietsen beter. Vooral de snelheid van een fiets is een groot voordeel. Een tent en andere spullen meenemen is makkelijker zodat je wat minder afhankelijk bent. Je hebt befietsbare paden nodig dus je kunt niet overal komen zoals te voet wel kan. Terug thuis ga ik toch twijfelen. De reis was veel eenvoudiger zonder het gedoe rond het in- en uitpakken van een fiets op de luchthaven. En met de was doen en schoenen verzorgen was ik maar een uurtje kwijt. De fiets en de tent schoonmaken en nakijken duurt veel langer. Naast de keuze voor mijn energieleverancier, internetprovider en noem maar op is er nog een keuze bijgekomen; fietsen of wandelen. Lastig.

 

advertenties