Kuopio 2009 Finland

Schaatsen in het land van de honderd achtentachtig duizend meren
door Gerard de Kam

Altijd gedacht dat Finland het land van de duizend meren is? Het zijn er welgeteld 188.000.
Gerard, die ’s winters zijn fiets omruilt voor schaatsen heeft op één van deze meren op 21 februari 2009 de Finland Ice Marathon van 200 km gereden. Hierbij het verslag dat hij schreef voor het blad van zijn ijsclub.

Het is nog donker als we het hotel verlaten en op onze gladde langlaufschoenen voorzichtig door de sneeuw het talud naar het meer afglibberen. Het Kallavesimeer bij het stadje Kuopio in midden Finland verschuilt zich nog in een donkere waas als we de schaatsen onder klikken. Voorzichtig schaatsen we wat heen en weer in het startgebied. Op dit punt zijn de scheuren flink uitgetrapt maar over het algemeen zijn we zeer te spreken over de kwaliteit van het ijs. Gisteren hebben we een verkenningsrondje gereden en dat gaf zoveel vertrouwen dat ik de elleboog- en heupbeschermers in mijn tas heb laten zitten. Kniebeschermers trek ik wel aan.. Drie jaar geleden waren we hier onder minder rooskleurige omstandigheden. Het vroor meer dan 20 graden, het ijs zat vol krimpscheuren en tot overmaat van ramp ging het sneeuwen zodat ze onzichtbaar werden. Ik ben die tocht wel veertig keer gevallen. Bont en blauw kwam ik na elf uur vallen en opstaan over de finish. Een compilatie van die valpartijen was op You Tube ongetwijfeld een tophit geworden. Maar dat bestond toen nog niet en nu heeft You Tube pech want veel zal er niet worden gevallen op dit super-ijs.

Jack en Kees-Jan, mijn maats van IJslub Haarlem dralen wat rond bij de startstreep in afwachting van het sein van vertrek. Het is onze vierde 200 km tocht samen en ik vraag me af of we deze keer een groepje kunnen vormen. Ze kampen de laatste tijd met blessures. John en Jelle voegen zich bij ons. Ik ken ze wat minder goed, ze schaatsen langzamer dan wij maar ik denk dat ze aardig aan elkaar gewaagd zijn. Het startveld bestaat slechts uit 23 mannen en één vrouw. Merendeels Hollanders en een handjevol Finnen. Het schaatsen zo als wij dat kennen leeft totaal niet in Finland. Zonder veel tierelantijntjes wordt het sein voor vertrek gegeven en de kleine meute zet zich in beweging. Niemand blijkt op kop te willen rijden. Na enkele slome kilometers neem ik de kop want mijn doel is verbetering van mijn beste tijd dus ik kan deze vertragingstactiek niet gebruiken. Jack denkt er ook zo over en kop over kop voeren we het veld enkele ronden van 12,5 km aan. Het gaat lekker en ik zie aan de rondetijden dat een verbetering van mijn persoonlijk record mogelijk is. Na een rondje of vier beginnen anderen zich aan de kop te melden. Er komen plaagstootjes van snelle jongens die het tempo korte tijd flink opjagen om daarna terug te vallen. Ik ben niet zo explosief en af en toe laat ik een gat vallen. Het wordt steeds moeilijker om het dicht te rijden. Tot overmaat van ramp krijg ik ook nog aandrang. Ik kan er niet omheen dat op mijn leeftijd (55) zich dit wat vaker voordoet dan toen ik nog een jonge kerel was. Stoppen om te plassen kost veel tijd en bij vorige tochten raakte ik hierdoor de aansluiting met de groep kwijt waardoor ik er alleen voor kwam te staan. Ik had op internet gezocht hoe anderen hier mee omgaan. Bij mannen rust hier kennelijk een taboe op want er is niets over te vinden. Behalve dan dat Jan Roelof Kruithof een keer met een catheter had gereden maar dat vond ik wel een erg bizarre oplossing. Vrouwelijke wedstrijdschaatsers zijn openhartiger en in een forum werd er flink over gekwebbeld. De meest praktische oplossing was om het maar te laten lopen. Ook dit leek me geen prettig vooruitzicht want wij mannen hebben daar iets wat wel eens in een ijspegel zou kunnen veranderen. Na vorig jaar de Camelbak te hebben geïntroduceerd in het lange afstand schaatsen, leekt het me tijd voor een nieuwe trend; de schaatsplas. Je hebt er een schaatsbroek met rits voor nodig. Verder wil ik niet te veel in detail treden maar voor wie het ook wil proberen; zoek een deel van de baan zonder pottenkijkers; even gang maken, benen wijd, bukken en de rest gaat vanzelf. Zo slaagde ik er in om aan de roep van de natuur te beantwoorden zonder veel achterstand op te lopen en na een kwart rondje sloot ik weer aan bij het peloton.

Na enkele uren ging de 100 km wedstrijd van start en werd de situatie onoverzichtelijk. We werden ingehaald door verschillende schaatsers en het was niet altijd duidelijk of dit een demarrage van iemand uit ons peloton was of dat het een 100 km rijder was. Er werd plotseling heel zenuwachtig gereden en de 200 km groep viel binnen een ronde totaal uiteen. Na enkele gaten te hebben dichtgereden, trok ik het niet meer en ben mijn eigen tempo gaan rijden. Mijn clubgenoten zaten ergens achter me en toen ik in wat rustiger vaarwater kwam en omkeek zag ze niet meer. Ik was samen met twee Finnen. De ene klein en gedrongen de ander van normale proporties. We hadden nog zo’n 120 km voor de boeg en samenwerken ligt dan voor de hand. Daar hadden ze echter geen kaas van gegeten. De kleine Fin nam nauwelijks de kop over en de andere Fin deed erg zijn best om me af te schudden. Op het lange stuk met de wind schuin van voren reed hij aan de lijzijde van de baan zodat ik niet uit de wind kon rijden en samen probeerden ze met tussensprintjes weg te komen. Ik heb niet zo’n versnelling in huis maar kon door consistent doordieselen toch steeds weer terugkomen. Ze verloren hun voorsprong vaak bij de ravitaillering waar ik dank zij mijn Camelbak en voorraad krentenbollen geen gebruik van hoefde te maken en ook dank zij hun conventionele plaspauze waar ik de eerder beschreven exhibitionistische oplossing op had gevonden. Erg spraakzaam waren ze ook al niet. De kleine informeerde nog naar mijn leeftijd. Vermoedelijk is 200 km schaatsen geen routineuze bezigheid voor Finse vijftigers. Op een gegeven moment legden ze zich neer bij deze oude luis in hun pels en ontstond er iets wat in de verte wel iets weg had van samenwerking. Na zo’n 150 km begint het frisse en fruitige er wat af te raken. Je benen gaan pijn doen, je voelt je rug, je begint te twijfelen waar je eigenlijk mee bezig bent en gaat spelen met de gedachte om te stoppen. Want waarom zou je zo afzien? Wat win je daar mee? Het duivelse stemmetje in je hoofd is een groter vijand dan de pijn in je benen of de scheuren in het ijs. Je moet het maar laten raaskallen en onverstoorbaar doorgaan, als een machine.

Het werd druk op de baan. De 50 km tocht ging van start en deze afstand is kennelijk goed te overzien voor Finnen want een horde ongeregeld stortte zich op het ijs. Velen op ijshockeyschaatsen en met langlaufstokken. Ze schaatsen alsof ze langlaufen. Daar moet je met een grote boog omheen want de stokken flitsen om je oren. Mijn vriendin Hester zou daar ook aan mee doen en ik werd lichtelijk ongerust toen ik haar maar niet in beeld kreeg. Later zou blijken dat ze door een hernia-aanval niet gestart was. Tegen het eind van de voorlaatste ronde sprintten de twee Finnen plotseling als gekken bij me weg. Had ik verkeerd geteld of zij? Gezien de tijd kon het niet anders of er was nog een ronde te gaan. Ze verdienden het niet maar ik besloot toch maar even te stoppen en ze er op te wijzen. Ze hadden echter nauwelijks aandacht voor me, zo druk waren ze in discussie en toen ze me niet bleken te geloven ben ik maar schouderophalend doorgereden. Na een halve ronde sloot de lange Fin achter me aan. “You were right” stamelde hij. Op dat moment werden we voorbij gereden door een treintje van vier kruisingen tussen een schaatser en een langlaufer. Driftig met hun stokken prikkend stoven ze langs. Het was mijn eer te na om me door deze, door Hollandse oogharen bezien, halve schaatsgaren te laten inhalen. Ik sprak de laatste reserves aan die tot mijn verbazing nog ruim voorhanden waren en reed het gat dicht. Tot inhalen kwam het niet want enerzijds molenwiekten ze vervaarlijk met hun stokken en anderzijds vond ik dat wel een geldig excuus om te verhullen dat ik daar eigenlijk niet meer toe in staat was. Dank zij deze vreemde vogels werd de laatste halve ronde in hoog tempo afgeraffeld. De Fin achter me hield stand en tegen deze jonge kerel sprinten was onbegonnen werk. Vlak voor de finish reed hij me voorbij. Geen handje of schouderklop kon er af. Ik heb hem niet meer gezien. Koele kikkers die Finnen. Gelukkig zijn ze beter in Nokia’s maken. Later bleek dat de kleine Fin de wedstrijd niet heeft uitgereden.

Mijn eindtijd was 7.56 uur Voor het eerst onder de acht uur en trots als een aap at ik wat bananen die de mensen van de ravitaillering daar met vooruitziende blik voor hadden neergelegd. Het zonnetje scheen en was het gezellig in het haventje bij de aankomst. Ik wachtte op mijn maats. Jelle en John had ik twee keer ingehaald en Kees-Jan had ik ook gezien. Maar Jack niet dus die kon vlak achter me zitten. Nat van het zweet als ik was, koelde ik echter snel af en het leek me beter om de warmte van het hotel op te zoeken. Daar hoorde ik van Hesters rugpijn en na een snelle douche en schone kleren, liepen we beiden al strompelend van spier- respectievelijk rugpijn terug naar het ijs. Onderweg kwamen we Kees-Jan tegen. Hij had het gehaald in 9.08 uur. Het duurde lang genoeg om verkleumd te raken totdat John en Jelle arriveerden in een tijd van 9.53 uur. Jelle had een moeilijk moment gehad en gedacht aan opgeven maar John had hem er doorheen gepraat. Jack kwam er ook aan. Hij had al gedoucht en kwam kijken waar zijn maats bleven maar meer nog ging zijn aandacht uit naar de forse braadworsten waarvan de geur de eetlust niet onberoerd liet. 8.28 uur had hij er over gedaan.

Onnodig te zeggen dat we die avond de ijsgoden hebben geëerd door het offeren van grote glazen Fins bier. Althans we hebben ze tot hunner eer maar zelf opgedronken. Hernia noopte ons om in het hotel te blijven. De schaatsmakkers gingen naar de prijsuitreiking in het stadhuis van Kuopio. Ik verwachtte voor mijn zevende plaats geen lauwerkrans en een bronzen medaille voor de derde Nederlander zat er ook niet in. Maar een elfsteden afstand rijden binnen de acht uur is voor mij de mooist denkbare beloning!

advertenties