Dolomieten Marathon 2009 – het woord is aan…

Door : Gerard de Kam

 

Dolomieten Marathon 2009; het woord is aan . . . . . .

 

Waar ben ik in vredesnaam? Een hobbel in de weg wekt me hardhandig uit een vredige slaap. Door het raampje zie ik dichte dennenwouden hoog boven me voorbij schieten. Ik lig schrijlings op Jan Jansen die zachtjes kreunt bij elke bocht in de weg waardoor ik over hem heen schuif. Ik moet lang geslapen hebben want toen we vertrokken was de zon maar net op en nu verlicht hij alleen nog de hoogste bergtoppen. Kennelijk zijn we op onze bestemming aangekomen. Ik wordt uitgeladen. Krijg mijn wiel terug dat heel de reis naast me heeft gelegen en kom via twee trappen in een lange gang die vol staat met lotgenoten. Twee ken ik nog van vorig jaar; Willier met zijn dikke maar sierlijke buizen en Trek met zijn hoge rug en nieuwe zwart/gele velgen. Ze zien er afgetraind uit. Achter me komt Jan Jansen binnen. Hij heeft het ook herkend. We zijn in de Dolomieten. Ongetwijfeld voor weer zo’n slopende bergrit waar je nog weken pijn in je crankstel aan over houdt. Onze baasjes zijn ook blij elkaar weer te zien. Er wordt op schouders geslagen en er wordt gelachen en opgeschept over recente fietsprestaties. Onze bijdrage daarin blijft meestal onbesproken. Ook op de gang is het gezellig en we wisselen uit hoe we de laatste tijd zijn afgebeuld en mishandeld. Maar ook pronken we met nieuwe bandjes of remblokjes en geven we elkaar complimentjes over de staat van de lak en hoe goed de kransjes er nog uit zien na zo veel beulsarbeid.

 

De volgende dag maken we samen met Jan Jansen en een wat oudere Trek een ontspannen ritje. Wat een fietsdrukte hier om je heen. Ik ben wel wat gewend maar af en toe voel ik me heel sjofel naast die dure Italiaanse raspaardjes. Ik schaam me een beetje voor mijn aluminium frame en mijn negen speed cassette en hoop maar dat ik niet uitgelachen wordt met mijn ouderwetse Shimano wielen. Gelukkig is mijn baasje ook zo’n overjarige grijze muis zodat er eerder met medelijden dan minachtend naar me wordt gekeken door de vele carbon ogen om me heen. We zijn maar net vertrokken of Jan Jansen slaakt een pijnlijke kreet. Direct voel ik het ook. Gloeiend asfalt plakt aan mijn banden. Een stekende pijn trekt door mijn wiel en ik ruik de geur van mijn eigen verbrandend rubber. Het asfalt is nog maar net gelegd en had nog niet vrijgegeven mogen worden. Beteuterd staan we langs de kant met een laag asfalt van zeker een centimeter op onze wielen. Maar onze baasjes gaan meteen aan de gang. Met scherpe stenen wordt de aangekoekte derrie verwijderd en na een half uurtje kunnen we met schone bandjes verder. We sturen de Campalongo pas op en daarna de Pordoi. Prachtig is het daar en onze baasjes nemen zelfs de tijd om bij mooie bloemen te stoppen. Dat heb ik nog nooit meegemaakt.

 

De dag vóór de tocht krijg ik de Gardenapas voor mijn kettingkiezen. Een steile jongen, maar we doen het rustig aan dus ik kom zonder metaalmoeheid boven. Daar staan zwarte Trek en Willier al te wachten en samen storten we ons de helling af terug naar het hotel. Hoewel mijn baasje er eigenlijk te oud voor is, wil hij de jonge knapen nog steeds te snel af zijn. Nu dat op de klim niet meer lukt, moet het maar in de afdaling. Ik was er al bang voor. Op haren en snaren passeert hij de knapen maar als hij bij het uitkomen van een bocht aanzet . . . Au! Mijn pedaal bonkt tegen de weg. Mijn achterwiel wordt opgetild. Ik maak een vervaarlijke zwieper en op miraculeuze wijze krijgt baasje me weer in het spoor. Als je denkt dat hij het nu van de schrik rustiger aan gaat doen; nee hoor. De verschrikte kreten van de jongens achter ons zwepen hem op en hij passeert zelfs binnendoor een auto. Daarvoor moet hij heel laat en heel hard in de remmen. Mijn achterwiel slipt weg, hij laat de rem los, corrigeert, remt weer en nog een keer breekt mijn achterwiel weg. Een schavende pijn trekt door mijn achterband. Maar hij krijgt ons terug in het goede spoor en met een noodgang stuiven we naar beneden. Ik sta doodsangsten uit en het zweet parelt langs mijn bovenbuis als we de weg naar het hotel in slaan.

 

Daar is het een gepoets en gesleutel van belang en ook ik wordt onder handen genomen. Daar ben ik blij mee en mijn grijze Cannondale ruggetje glimt van genoegen. De zwarte Trek heeft het niet makkelijk. Hij moet naar de fietsdokter in het dorp waar hij een spoedoperatie ondergaat. Zijn crankstel wordt getransplanteerd voor een compact. Terwijl wij lekker uitrusten in de zon, merk je dat de baasjes gespannen worden voor de volgende dag. De een is rusteloos in de weer, een ander praat aan één stuk door, een derde verstopt zich achter zijn laptop. Alleen wanneer één van de jonge dames van Team Leontien van Moorsel, die ook in dit hotel zitten voorbij komt, spurten ze met zijn allen naar het raam en krijg je dingen te horen die niet voor kinderfietsoren bestemd zijn. ’s Avonds is het vroeg naar bed en al snel horen we geluiden alsof er een frame in stukjes wordt gezaagd. Geen prettig gehoor.

 

Bij het krieken van de dag rijden we naar de start terwijl koude dampflarden onze frames doen huiveren. We staan met achtduizend fietsen op een kluitje te wachten in de straten van La Villa. Overal om me heen zie ik fietsen die zeker het dubbele van mij hebben gekost en ik kan wil wel in het asfalt zinken van schaamte maar troost me met de gedachte dat we verreweg de meeste van die dure karretjes op een hoop gaan fietsen. Een helikopter komt donderend over en een opgewonden Italiaanse commentator schreeuwt met overslaande stem terwijl de stoet in beweging komt. Al gauw komt de Campalongo pas in zicht en de trapassen krommen zich onder stampende benen. Wij zijn als eerste weg van ons groepje maar tegen de korte kortharige en de lange langharige op de zwarte Trek zijn we niet opgewassen en we zien ze omhoog tussen de menigte verdwijnen. De col is al in twintig minuten geslecht en we suizen als een zwaluw door de bochten naar het dorp in het dal waar we van de hoogste versnelling direct naar de laagste terug moeten schakelen om niet stil te vallen in de aanzet van de Pordoi pas. Tussen de bloemenweiden slingert zich een rijen dik lint van fietsen de berg op. Terwijl we nog niet halverwege zijn zien we boven al kleine stipjes de top bereiken. Willier komt voorbij met zijn aardige berijder. Dat kunnen we op onze leeftijd niet bijhouden maar mijn crankstelletje draait nog steeds soepel in het rond. Boven op de pas ontvouwt zich een oogverblindend landschap met getande bergen die veel overeenkomst vertonen met een cardiogram van mijn berijder op dat moment. We scheren in vogelvlucht naar beneden, slaan de verzorgingspost over en klimmen aan de schaduwkant van het Sellamassief de gelijknamige pas op. Daar bevindt zich zowaar halverwege de enige vlakke kilometer van de hele rit. In de volgende afdaling klinkt een sirene van een ambulance en mannen zwaaien druk met vlaggen om ons in de remmen te laten knijpen. Het bloed op de weg jaagt me geen schrik aan maar de sporen van geschuurd metaal en carbon doen me huiveren. Ik hoop maar dit tafereel mijn baas voorzichtig doet zijn. Maar helaas, voort gejakkerd wordt er weer tot de klim van de Gardenapas. De zon piept over de rand van de bergen en schijnt op witte torenhoge rotswanden die fonkelen als een sprookjeskasteel. We draaien lekker en rijden veel meer fietsen voorbij dan dat we zelf worden ingehaald. Opvallen zijn het aantal damesfietsen. Later hoorde ik dat die allemaal vooraan mochten starten. Ik kan het niet laten om met genoegen een schuin oog te laten vallen op de ranke roze framepjes. Maar de carbon dames gunnen mij geen blik waardig met mijn lompe metalen buizen.

 

We rollen Corvara in en hebben het Sella rondje van 55 km er op zitten. Weer de Campalongo op waar we in 24 minuten boven zijn. Bij de verzorgingspost krijg ik een volle bidon en mijn baas verdwijnt in de struiken om een zelfde hoeveelheid te lozen. Rare wezens toch die mensen. Verder gaat het. Een heel eind naar beneden. Eerst stijl en bochtig dan vals plat maar niet minder snel. Zeventig km/uur en meer verschijnt op mijn schermpje. Hier wordt gekoerst en een hele kluit renners jaagt kop over kop naar beneden. Ze snel dat die sukkel van een baas de splitsing mist en de korte route in slaat. Een koei van een bord staat er: “Falzarago” maar hij ziet het niet. Wonder bij wonder begint een oudere Italiaan een gesprekje over uno passo of zo iets. Dan gaat er eindelijk een lichtje branden in het verduisterde brein en hij beseft dat hij verkeerd zit. Inmiddels zijn we al een heel eind voor niets geklommen en in de snelle afdaling schieten we tussen de andere klimmers door die boos en verschrikt reageren. Vijftig man zijn ons gepasseerd als we beneden komen en op topsnelheid rakelings langs een carbinieri de Passo de Giau op schieten. De killer, de scherprechter. Eerst nog een voorbergje maar dan komt hij; vrijwel constant tien procent tot een hoogte als de Alpe d’Huez. Maar ik moet zeggen, baas leert van zijn fouten. Draaide hij zich hier vorig jaar volledig in de vernieling door te snel te beginnen. Nu heeft hij eindelijk een hartslagmeter aangeschaft en rijdt op een veilig ritme naar boven. Zonder een centje pijn en net binnen het uur. Tien minuten sneller dan vorig jaar! Baas heeft toch wel een centje pijn. Af en toe kreunt hij en wrijft over zijn buik. Dat gaat niet goed daar van binnen. Boven bij de verzorgingspost stormt hij een Dixie in. Ik weet niet wat zich daarbinnen heeft afgespeeld maar ik hoor allerlei rare geluiden en hij komt lijkbleek, maar opgelucht naar buiten. Maar weer zijn ons vijftig fietsers gepasseerd. Dat schiet niet op. In de afdaling worden we voorbij gereden. Dat gebeurt niet heel vaak en het is ook nog iemand met een camera op zijn helm. Baas kan dat niet goed hebben en na een wilde achtervolging over een kurketrekkerachtig kronkelende weg halen we hem in. Beneden ontstaat een gesprekje waaruit blijkt dat de beelden binnenkort op You Tube komen. Spannend!

 

Nog één klim naar de top van de Falzarego en dan nog een lange afdaling naar de finish. De klim is lang maar niet stijl en boven rollen we door een fabelachtig mooi decor om kippenvel van op je buizen te krijgen. In de afdaling springen de digitale cijfers tot boven de tachtig en halen we nog heel wat fietsen terug die ons bij de sanitaire pauze zijn gepasseerd. Beneden moeten we toch nog kort klimmen in de laatste kilometers naar Corvara. Baas geeft alles wat hij nog over heeft en we scheuren heel wat renners voorbij. Een jonge Italiaan die ons vruchteloos probeert te passeren, schreeuwt nog; “Sir, you are very strong”. En na 140 km schieten we in een eindspurt over de streep. Mijn lagers doen pijn, mijn banden voelen versleten en mijn spaken trillen als een riet. Maar ik glim van trots en kijk spottend naar de dure Pinarallo’s die me voor de rit niet zagen staan en nu ver achter me binnen komen sukkelen. “Goed gedaan hoor” hoor ik achter me. En een lange slanke damesracefiets lacht naar me. Ik was haar in de laatste kilometers voorbij gereden, deelneemster 525 die als 24e was geëindigd bij de dames. Deze dag kan niet meer stuk! Dat er dus nog zeker 23 damesfietsen me voor zijn gebleven, neem ik dan maar op de koop toe.

 

Terug bij het hotel liggen al een paar fietsen schots en scheef in het gras. Ik wordt naast zwarte Trek gesmeten en terwijl er bierblikjes worden opengetrokken hoor van hem dat de kleine stevige Daan als eerste van onze groep is gefinisht net binnen de zes uur. Kort daarachter Willier met de onterecht bescheiden Ramon en tien minuten later als derde hijzelf met onze topcoureur Christian die met de naweeën van een griepje vertokken was. Ik kwam daar in 6.52 uur achter aan. Gaandeweg sijpelde de rest van de groep binnen. Stefan (6.21), Gilbert (7.22) en Gijb (6.10) hadden met al dan niet legitieme verklaringen gekozen voor de korte afstand van 106 km en als laatste kwam Jan Jansen binnen met Jos maar die hadden wel de hele afstand van 138 km afgelegd in 8.15 uur. Het is een schone dag geweest.

 

 

 

advertenties