Daan in Uganda 2008

Een verslag van onze fietstocht door Uganda
door: Daan Holdrinet

Op donderdag 28 november was het eindelijk zover, het vliegtuig stond op ons te wachten om ons naar het groene hart van Afrika te brengen, Uganda.

’s Ochtends de laatste hand gelegd aan mijn scriptie, met de hoop dat deze goedgekeurd zou worden tijdens mijn reis, en dat ik eindelijk zou afstuderen. Herman van der Vliet was zo aardig om Dirk en mij naar het vliegveld in Frankfurt te brengen, alwaar we via Nairobi, Kenia, naar Entebbe, Uganda, zouden vliegen. De reis verliep voorspoedig, maar was toch erg lang, vooral vanwege de lange tijd voor het overstappen. Opgelucht aangekomen in Entebbe, alwaar we de taxi namen naar Kampala om de Cheese Bar op te zoeken, de bar van Klaas, een landgenoot die een kaasfabriek heeft in Uganda, en tevens deze bar bezit. Nog erg vermoeid van de lange reis en de drukke laatste weken konden we daar rustig ontspannen en zijn we ’s avonds uiteten geweest bij de Chinees, iets wat later bleek het meest luxe diner van onze reis te zijn. De volgende dag de fietsen in elkaar gezet, welke we vanwege het vervoer helemaal uit elkaar hadden gehaald, zodat alleen het frame nog overbleef, maar dat de fiets erg compact kon worden ingepakt, en in een geïmproviseerde koffer pastte. ‘s Avonds werden we in de lokale bar uitgenodigd door wat dronken Ugandezen om een Afrikaans dansje te doen, wat tot grote hilariteit leidde. De volgende ochtend eindelijk vertrokken, we reden Kampala in oostelijke richting uit, richting de bron van de Nijl. Het was even zoeken om de stad uit te rijden, maar al vrij snel vonden we de goede weg, die ons naar Jinja leidde, de één na grootste stad van Uganda. Voor mij werden er al snel een paar dingen duidelijk: de zon deed hard z’n best om mijn tere witte huidje te verbranden, wat aardig lukte, de klimmetjes waren niet lang, maar wat ze in lengte misten, werd gecompenseerd in hellingsgraad, de wegen waren druk, en vrachtauto’s gaan niet aan de kant voor een fietser, het oeroude systeem van de recht van de sterkste werd fanatiek nageleefd. In de middag kwamen we aan op de plek van bestemming, alwaar we na een douche, wat niet meer was dan een emmertje water met wat zeep, wat overigens toereikend was, we opgefrist het stadje konden gaan verkennen, lees: bier drinken. Dit ritueel herhaalde zich in het vervolg van onze reis, en wat voor Dirk de reden was dat hij de laatste kilometers van de etappe flink op de pedalen ging staan. Later vertelde hij mij dat hij een bierflesje op elke top van de heuvel projecteerde, waardoor het hem steeds lukte als eerste boven te zijn. De fietsdagen begonnen steeds vroeg. Rond half 8 waren we onderweg, om de hitte een beetje voor te zijn, en omdat het ook niet lukte om fatsoenlijk uit te slapen. Rond 11 uur begon de zon aardig te branden, maar dan hadden we al aardig wat kilometers en cola-tjes achter de rug en in de buik. Rond de middag ging de temperatuur naar de 40 graden. Hierdoor heen fietsen was te doen, alleen wanneer er gestopt werd voelde het erg heet aan. De schaduw van de bomen en de kleine tentjes waar we stopten om wat te eten en te drinken boden de nodige afkoeling en energie. Telkens wanneer we stopten trokken we de aandacht van de alom aanwezige kinderen. Een blanke man op de fiets, dat was toch echt uitzonderlijk! De meeste blanken die zij hadden gezien zaten achter het raam van een dikke Landrover met het logo van een of andere ontwikkelingsorganisatie, die een dikke stofwolk achter zich latend en al toeterend door het dorp scheurde, op weg naar de volgende goede daad. Wij waren op de fiets, waardoor het contact met de bevolking erg makkelijk tot stand kwam, alleen al vanwege het feit dat ons niks scheidde van elkaar, ook geen autoruit, en dat wij hetzelfde vervoermiddel gebruikten als de normale man. Enthousiast werden we begroet wanneer we door een dorp, langs de rijstplantages of door de bush fietstten, met de kreet: “Mzungu!!! Mzungu!!! How are you??” Om als ‘blanke man’ toegeroepen te worden, wat mzungu betekent, moet hetzelfde voelen om als neger op de palingmarkt in Urk te worden toegeroepen door de plaatselijke Urkers, terwijl je getooit in je kralenrok met pijl en boog ongemerkt je weg probeert te vervolgen, om wat van de traditionele levensgewoontes van de Urkers te weten te komen. Met andere woorden, we kwamen niet ongezien voorbij. Al fietsend over de dirt-roads kwamen we door kleine dorpjes, moeras, dichte bossen, moesten we regelmatig op de pedalen staan om de steile heuveltjes te bedwingen, om in de afdaling de juiste route te zoeken tussen de losse stenen op deze wegen van rood zand. De etappes werden een stuk dragelijker door de constant roepende en zwaaiende kinderen. Het was aandoenlijk om te zien met welk enthousiasme en vrolijkheid ze je toeroepen, maar tegelijkertijd is het beklemmend om te bedenken dat meer dan de helft van deze vrolijke kinderen lijdt aan aids in dit door het HIV-virus besmette land. Een schril contrast met de levensenergie en vrolijkheid die de Ugandezen kenmerkt, maar wat misschien ook een soort fatalitische onbezorgdheid is, waardoor epidemieën zoals HIV zo genadeloos hun gang kunnen gaan. Met deze overpeinzingen in ons achterhoofd werd de reis vervolgd. Ik raakte inmiddels aardig gewend aan de kreten ‘mzungu mzungu, maar op de vraag: ‘Why are you biking…?’ had ik even geen antwoord. Misschien was ‘gewoon omdat ik dat leuk vind’ de beste reden, maar leg dat maar eens uit aan een Afrikaan.

Naarmate we meer naar het noorden gingen werd het landschap vlakker, droger, eentoniger, de mensen meer ingetogen, en onze snelheid hoger. Het eten van sinaasappels die we onderweg kochten bij kleine stalletjes zorgden voor de nodige energie en vermaak, omdat het aardig lastig was ze op te eten. Het fietsen op de dirt-roads deed ons veranderden in rode zandmannetjes, iets wat nog uitzonderlijker was dan een ‘witte man’. De weg verslechterde: kuilen, zandstroken, stenen en vooral wasborden vertraagden ons tempo maar we bleven stug doorgaan. Aangekomen op de bestemming van de dag werden we enthousiast onthaald door de inwoners van het stadje, waar me opviel dat een wat oudere man opmerkte dat hij blij was ons te zien en verwelkomde. Een paar dagen later kregen we te horen dat in dat gebied onlangs nog de troepen van het LRA, het Lord’s Resistance Army, het zogenaamde Bevrijdingsleger van de Heer, onder leiding van de krankzinnige generaal Kony hier had huisgehouden. Het liefste wat ze doen is de bevolking bang maken, door willekeurig handen van onschuldigen af te hakken, en dit alles in de naam van de Heer. Ik kan me moeilijk voorstellen dat onschuldige mensen verminken de goedkeuring van de Heer verdraagt, maar zoals altijd in oorlogsgebieden zijn het de zwaksten die het moeten bekopen, en zoals altijd is dat de bevolking, de bevolking die niks met het conflict te maken heeft of wil hebben, rustig wil kunnen leven, hun voedsel wil verbouwen op de akkers, hun kinderen te eten willen geven en naar school te laten gaan. Of ben ik nu een idealist als ik zeg dat deze praktijken die uitgevoerd worden door het LRA, die naar mijn mening en mening van vele anderen niet eens weten waarom en tegen wie ze vechten, niet hoeven plaats te vinden en dat het land vruchtbaar en rijk genoeg is om naast en met elkaar te kunnen leven….? Nog een overpeinzing erbij in het achterhoofd. Dit alles heeft ons niet weerhouden om onze reis prettig te vervolgen, zonder ons ook maar één keer bedreigd gevoeld te hebben. Het credo van Dirk: ‘Het beste wat je van Afrika kan doen, is genieten’ leek een waarheid te worden. Dit hebben we met volle teugen gedaan. Het uitstapje naar het Albertmeer was zoiets. Een prachtig meer, blauw, met een koele bries, gelegen in de Riftvallei, die dwars door Afrika loopt als gevolg van aardverschuivingen in de oudheid, met aan de overkant de zichtbare heuvels van Congo. De plaatselijke bevolking leeft volledig van de visvangst en hier hebben we zodoende Nijlbaars gegeten, een grote roofvis met stevig wit vlees, die overheerlijk smaakt. Het was weer tijd om zuidelijk te trekken, omdat onze tijd krapper werd. Eindelijk veranderde de weg weer in asfalt, en kilometer na kilometer van dit solide materiaal schoot onder onze banden door. We besloten een kijkje te nemen in een neushoornreservaat, waarin de enige neushoorns van Uganda leefden. Bij het toegangshek aangekomen kregen we toestemming om met de fiets het park in te gaan. Even later bij de headquarters van het park werden we ontvangen door de ranger, die ons vertelde dat we een voertuig nodig hadden, entreegeld moesten betalen en een gids moesten huren. Dit zou boven de 100 dollar uitkomen Hier hadden wij met onze zuinige inslag geen zin in, en wilden terug fietsen, totdat de eigenaar van het park, een Zuid-Afrikaanse, ons opmerkte en ons aanbood gratis op neushoorn safari te gaan. We moesten dan wel met onze fietsjes achter de vertrekkende jeep aan gaan met andere toeristen, die wel de volle mep hadden betaald. Wat een aanbod! Snel op de fiets, even stof bijten achter de jeep, maar wel lekker gratis door een neushoorn park crossen! Na een tijdje stopte de jeep, omdat de rangers sporen hadden gezien. Hier verlieten we onze voertuigen, en gingen we te voet de bush in. Na een kwartiertje zagen we ze: 5 grote, grijze beesten, lekker luierend in de schaduw van de bomen, bij elkaar liggend. We mochten ongelooflijk dichtbij komen, op een afstand van 10 meter. Met de camera in de aanslag erop afgestapt, om af en toe een stapje achteruit te doen als ze ons te dichtbij vonden komen, hun logge lijf in beweging zetten en op stonden. Het was erg indrukwekkend om deze half-prehistorische beesten te zien in hun natuurlijke omgeving, lekker liggend in de schaduw, met alle vrijheid zonder opgesloten te zitten achter tralies. Alleen jammer van die toeristen, die zo dicht bij komen voor een paar kiekjes en grote verhalen voor thuis. De laatste dag vertrokken voor de etappe naar Kampala, 120 km over een op de kaart kaarsrecht lopende weg naar het zuiden. Het verloop van deze weg in hoogtemeters was anders. Steile klimmetjes wisselden elkaar af met evenzo steile afdalingen, wat voor mij het uiterste vergde van mijn toch wel vermoeide benen. Hoe dichter we bij Kampala kwamen, hoe drukker het werd. In Kampala aangekomen was het weer slingeren, manouvreren, je plaats bemachtigen, ontwijken en behendig sturen tussen het krankzinnige verkeer dat kenmerkend is voor elke dichtbevolkte metropool in ontwikkelingslanden. Onze thuiskomst in Kampala hebben we gevierd in de plaatselijke pub, met een paar flessen koud bier, die overheerlijk smaakten. Uganda heeft ons voorzien van geweldige ervaringen, mooie momenten, prachtige uitzichten en het is een goed fietsland. De bevolking is simpelweg vriendelijk, enthousiast en aardig, de mogelijkheden om ergens te overnachten zijn overal aanwezig, het eten is energierijk, en in elk dorpje kun je terecht om een frisdrankje te drinken onder de schaduw van een grote boom. Meer heb je niet nodig.

We hebben genoten van Uganda!

 

 

advertenties